Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

1 Johannes 3

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Kijk toch eens wat een liefde de Vader ons heeft betoond: dat wij kinderen van God mogen heten; en dat zijn we ook werkelijk. Daarom herkent de wereld ons niet: zij heeft immers ook hem nooit gekend. Geliefden, nu al zijn wij kinderen van God, en wat wij worden zullen is nog niet geopenbaard. Maar dit weten wij: zodra hij verschijnt, zullen wij aan hem gelijk zijn, want wij zullen hem zien zoals hij werkelijk is. En ieder die deze hoop op hem heeft gevestigd, houdt zichzelf rein, net zoals hij rein is.

Ieder die zondigt, begaat daarmee wetteloosheid; zonde is immers niets anders dan wetteloosheid. Jullie weten immers dat hij aan het licht is getreden om de zonden weg te dragen, en dat er in hemzelf geen zonde huist. Niemand die in hem blijft, blijft doorzondigen; wie wél doorzondigt, heeft hem nooit gezien en nooit gekend. Kinderen, laat je door niemand op een dwaalspoor brengen: wie het goede doet, is rechtvaardig, net zoals hij rechtvaardig is. Wie in de zonde leeft, komt voort uit de duivel, want de duivel zondigt van meet af aan. Juist hiervoor is de Zoon van God verschenen: om het werk van de duivel te vernietigen. Niemand die uit God geboren is, leeft in de zonde, want wat God in hem heeft gezaaid blijft in hem; en hij kán zelfs niet zondigen, omdat hij uit God is voortgekomen. Zo komt aan het licht wie kinderen van God zijn en wie kinderen van de duivel: wie niet rechtvaardig leeft, komt niet uit God voort, evenmin als wie zijn broeder geen liefde geeft.

Dit is namelijk de boodschap die jullie vanaf het begin hebben gehoord: dat wij elkaar moeten liefhebben. Volg niet het voorbeeld van Kaïn, die een kind van de boze was en zijn eigen broer doodsloeg. En wat dreef hem tot die moord? Dat zijn eigen daden verdorven waren, terwijl die van zijn broer juist deugden. Verbaas je er niet over, broeders en zusters, als de wereld jullie haat. Wíj weten dat wij uit de dood zijn overgegaan naar het leven, want wij dragen onze broeders en zusters liefde toe. Wie de liefde mist, blijft in de dood gevangen. Ieder die zijn broeder haat, is in de grond een moordenaar, en jullie beseffen dat het eeuwige leven in geen moordenaar blijvend woont. Wat liefde werkelijk is, hebben wij hieraan leren kennen: dat hij zijn leven voor ons heeft gegeven. Zo horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters. Stel dat iemand het levensonderhoud van deze wereld bezit en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn hart voor hem gesloten houdt: hoe zou de liefde van God dan in hem kunnen wonen? Kinderen, laten wij niet liefhebben met woorden of loze taal, maar in daad en in waarheid.

Hieraan zullen wij merken dat de waarheid onze oorsprong is, en zo stellen wij ons hart voor zijn aangezicht gerust, ook wanneer ons hart ons aanklaagt; God is immers groter dan ons hart en hij doorziet alles. Geliefden, als ons hart ons niet aanklaagt, dan mogen wij vol vertrouwen bij God komen, en wat wij hem ook vragen, ontvangen wij van hem, omdat wij ons aan zijn geboden houden en doen wat hij graag ziet. En dit is zijn gebod: dat wij geloof hechten aan de naam van zijn Zoon Jezus de Gezalfde en dat wij van elkaar houden, geheel zoals hij ons heeft voorgeschreven. Wie zich aan zijn geboden houdt, blijft in hem, en hij in die mens. En dat hij in ons blijft, weten wij dankzij de Geest die hij ons heeft geschonken.

← 1 Johannes 21 Johannes 4 →