Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

1 Korintiërs 10

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Ik wil jullie niet in het ongewisse laten, broeders en zusters, over het volgende: onze voorouders bevonden zich allen onder de wolk en trokken allen door de zee. Allen werden zij in Mozes gedoopt, in de wolk en in de zee. Allen aten zij hetzelfde geestelijke voedsel en allen dronken zij dezelfde geestelijke drank; want zij putten uit een geestelijke rots die met hen meereisde, en die rots was de Gezalfde. Toch had God in de meesten van hen geen behagen, want ze kwamen om in de woestijn. Dit is ons tot voorbeeld gebeurd, zodat wij niet naar het kwade zouden verlangen zoals zij dat deden. Word ook geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen. Zo staat er geschreven: “Het volk ging zitten om te eten en te drinken, en stond op voor uitbundig vertier.” Laten wij ook geen ontucht plegen, zoals sommigen van hen deden; op één dag vielen er drieëntwintigduizend. Laten wij de Gezalfde niet uitdagen, zoals sommigen van hen deden; zij kwamen om door de slangen. Mopper ook niet, zoals sommigen van hen deden; zij vonden de dood door de verderfengel. Dit alles overkwam hun als een voorafbeelding, en het is te boek gesteld als een waarschuwing voor ons, tot wie het einde van de eeuwen gekomen is. Daarom, wie denkt te staan, moet oppassen dat hij niet valt. Geen beproeving heeft jullie getroffen die de menselijke maat te boven gaat. God is trouw: hij laat niet toe dat jullie zwaarder beproefd worden dan je aankunt, maar met de beproeving zorgt hij ook voor de uitweg, zodat jullie haar kunnen doorstaan.

Daarom, mijn geliefden, ontvlucht de afgodendienst. Ik spreek tot jullie als tot verstandige mensen; vorm zelf een oordeel over wat ik zeg. De zegenbeker waarover wij de dankzegging uitspreken, brengt die ons niet in gemeenschap met het bloed van de Gezalfde? En het brood dat wij breken, brengt dat ons niet in gemeenschap met het lichaam van de Gezalfde? Omdat het één brood is, vormen wij, hoe talrijk ook, één lichaam; want wij allen hebben deel aan dat ene brood. Kijk eens naar het Israël naar het vlees: hebben zij die van de offers eten niet juist deel aan het altaar? Wat wil ik hiermee zeggen? Dat offervlees iets voorstelt, of dat een afgod iets voorstelt? Nee, maar dat wat zij offeren, aan demonen wordt geofferd en niet aan God; en ik wil niet dat jullie deelgenoten van de demonen worden. Jullie kunnen niet uit de beker van de Heer én uit de beker van demonen drinken; jullie kunnen niet aanzitten aan de tafel van de Heer én aan de tafel van demonen. Of willen we de Heer tot naijver prikkelen? Zijn wij soms sterker dan hij?

Alles mag, maar niet alles is heilzaam. Alles mag, maar niet alles is opbouwend. Niemand moet zijn eigen voordeel najagen, maar dat van de ander. Alles wat in de vleeshal te koop is, mogen jullie eten, zonder omwille van je geweten navraag te doen; want aan de HEER behoort de aarde met al wat haar vult. Nodigt een ongelovige jullie uit en willen jullie erheen, eet dan alles wat men jullie voorzet, zonder omwille van je geweten navraag te doen. Maar zegt iemand tegen jullie: “Dit is offervlees,” eet er dan niet van, met het oog op hem die het zei en op het geweten. Ik doel niet op je eigen geweten, maar op dat van die ander. Waarom zou mijn vrijheid immers afhangen van andermans geweten? Als ik met dankbaarheid deel, waarom zou ik dan worden beschimpt om iets waarvoor ik juist dank? Kortom, of je nu eet of drinkt of wat dan ook doet, doe alles tot eer van God. Wees geen struikelblok, niet voor Joden, niet voor Grieken en niet voor de gemeente van God, net zoals ook ik iedereen in alles ter wille ben, zonder mijn eigen belang na te jagen; het gaat mij om het belang van de velen, zodat zij gered worden.

← 1 Korintiërs 91 Korintiërs 11 →