Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

1 Korintiërs 3

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Ook ik kon tot jullie niet spreken, broeders en zusters, als tot geestelijke mensen; ik moest jullie aanspreken als mensen van vlees, als zuigelingen in de Gezalfde. Ik gaf jullie melk te drinken, geen vast voedsel, omdat jullie dat nog niet aankonden. En je kunt het trouwens nog steeds niet, want jullie leven nog naar het vlees. Zolang er onder jullie afgunst en ruzie is, leven jullie dan niet naar het vlees, op de manier van gewone mensen? Want als de een zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: ik van Apollos, zijn jullie dan niet zomaar mensen?

Wat is Apollos eigenlijk? En wat is Paulus? Dienaren door wie jullie tot geloof zijn gekomen, elk naar de gave die de Heer hem schonk. Ik plantte, Apollos gaf water, maar het was God die het liet groeien. Dus telt niet wie plant en evenmin wie begiet, maar God alleen, die de groei geeft. Wie plant en wie begiet, zijn gelijkwaardig, en elk zal het eigen loon ontvangen naar de eigen inspanning. Want wij zijn Gods medewerkers; en jullie zijn Gods akker, Gods bouwwerk.

Naar de genade die God mij gegeven heeft, heb ik als een ervaren bouwmeester de fundering aangelegd, en daarop bouwt nu een ander verder. Maar laat elk goed toezien hoe hij daarop bouwt. Want een ander fundament dan wat er al ligt kan niemand leggen: Jezus de Gezalfde. Bouwt iemand op dat fundament met goud, zilver, edelstenen, of anders met hout, hooi en stro, dan zal ieders werk aan het licht komen. De dag zal het onthullen, want die breekt aan in vuur, en het vuur zal toetsen wat ieders werk waard is. Houdt het bouwwerk van iemand stand, dan zal hij loon ontvangen. Verbrandt iemands werk, dan lijdt hij verlies; zelf zal hij worden gered, maar wel als iemand die door het vuur heen ontkomt. Beseffen jullie niet dat jullie een tempel van God zijn, en dat Gods Geest in jullie zijn woning heeft? Wie de tempel van God te gronde richt, die zal God te gronde richten; want heilig is de tempel van God, en dat zijn jullie.

Laat niemand zichzelf iets wijsmaken. Wie onder jullie meent in deze wereldtijd wijs te zijn, moet eerst dwaas worden om werkelijk wijs te zijn. Want wat in deze wereld voor wijsheid doorgaat, is in Gods ogen dwaasheid. Zo staat het geschreven: “Hij grijpt de wijzen in hun eigen geslepenheid,” en verder: “De HEER doorziet de gedachten van de wijzen: ze zijn niets waard.” Laat dus niemand zich op mensen beroemen. Want alles behoort jullie toe: Paulus, Apollos of Kefas, de wereld, het leven of de dood, het heden of de toekomst: alles is van jullie, maar jullie behoren de Gezalfde toe, en de Gezalfde behoort God toe.

← 1 Korintiërs 21 Korintiërs 4 →