Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

1 Korintiërs 8

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Dan nu het offervlees van afgoden. Wij weten dat wij allemaal kennis bezitten. Kennis maakt echter opgeblazen, terwijl liefde opbouwt. Wie meent iets te weten, weet nog niet zoals men behoort te weten; maar wie God liefheeft, is door hém gekend.

Wat nu het eten van offervlees aangaat: we weten heel goed dat een afgod in de wereld niets om het lijf heeft en dat er maar één God bestaat. Want ook al heten er goden te bestaan, in de hemel of op de aarde, en al krioelt het van zulke goden en heren, voor ons is er niettemin maar één God: de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn. En er is één Heer: Jezus de Gezalfde, door wie alles er is en door wie ook wij er zijn.

Maar niet iedereen heeft die kennis. Sommigen, nog altijd gewend aan de afgod, eten het vlees alsof het werkelijk aan een afgod gewijd is, en hun geweten, dat zwak is, raakt erdoor bezoedeld. Voedsel brengt ons echter niet nader tot God: eten we niet, dan missen we niets, en eten we wel, dan winnen we niets. Maar let erop dat deze vrijheid van jullie niet uitgroeit tot een struikelblok voor wie zwak zijn. Want als iemand jou, die kennis bezit, in een afgodstempel aan tafel ziet liggen, wordt zijn geweten, zwak als het is, dan niet aangemoedigd om zelf ook offervlees te eten? Zo gaat door jouw kennis de zwakke te gronde, de broeder om wie de Gezalfde gestorven is. En wanneer jullie op die manier tegen de broeders zondigen en hun kwetsbare geweten verwonden, zondigen jullie tegen de Gezalfde. Daarom: als voedsel mijn broeder ten val brengt, zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder niet ten val te brengen.

← 1 Korintiërs 71 Korintiërs 9 →