Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

1 Petrus 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Leg dan af wat kwaad is, in al zijn vormen: elk bedrog, alle schijnheiligheid, jaloezie en elke vorm van kwaadsprekerij. Verlang, als pasgeboren kinderen, naar de onvervalste melk van het woord, zodat jullie daardoor mogen opgroeien naar de redding. Jullie hebben immers ondervonden hoe goed de Heer is.

Kom naar hem toe, de levende steen die door de mensen wel is afgewezen, maar bij God uitgekozen en kostbaar is, en laat je, als levende stenen, opbouwen tot een geestelijk huis, tot een heilige priesterschaar, om geestelijke offers te brengen die God door Jezus de Gezalfde welkom zijn. In de Schrift staat immers: “Kijk, in Sion leg ik een hoeksteen, uitgekozen en kostbaar, en wie op hem vertrouwt zal nooit te schande staan.” Voor jullie, die geloven, is hij dus van grote waarde; maar voor wie niet geloven geldt: “de steen die de bouwlieden afkeurden, is juist tot hoeksteen geworden,” en: “een steen waarover men struikelt, een rots waaraan men zich stoot.” Ze komen ten val omdat zij weigeren het woord te gehoorzamen; en dat is nu juist waartoe ze bestemd waren. Maar jullie zijn een uitgekozen geslacht, een koninklijke priesterschaar, een heilige natie, een volk dat God zich als eigendom heeft verworven. Zo kunnen jullie de grootheid verkondigen van hem die jullie wegriep uit het duister en binnenleidde in zijn wonderbaarlijk licht. Vroeger waren jullie geen volk, maar nu zijn jullie Gods volk; vroeger viel jullie geen ontferming ten deel, maar nu is die jullie geschonken.

Geliefden, als mensen die hier te gast en op doorreis zijn, dring ik er bij jullie op aan: houd je ver van de vleselijke begeerten, die oorlog voeren tegen de ziel. Houd er onder de volken een goede levenswijze op na, zodat zij, die nu over jullie roddelen als waren jullie misdadigers, je goede daden zien en God eren op de dag dat hij komt omzien. Schik je omwille van de Heer naar elke door mensen ingestelde orde: naar de keizer, als degene met de hoogste macht, en naar de bestuurders, als door hem gezonden om kwaaddoeners te straffen en wie goed doen te prijzen. Het is namelijk Gods bedoeling dat jullie, door het goede te doen, het onverstand van dwaze mensen tot zwijgen brengen. Doe dat als vrije mensen, maar zonder je vrijheid te gebruiken als dekmantel voor het kwaad; doe het als slaven van God. Toon aan iedereen respect, houd van de broedergemeenschap, heb ontzag voor God, betoon eer aan de keizer.

Slaven, onderwerp je met het diepste respect aan je meesters, niet alleen aan de goede en inschikkelijke, maar ook aan de onhandelbare. Want hierin ligt genade: dat iemand, in het besef van God, verdriet doorstaat terwijl hem onrecht wordt aangedaan. Wat voor roem is het immers wanneer je klappen verdraagt omdat je fouten maakt? Maar houd je stand terwijl je goed doet en toch moet lijden, dan is dat genade in de ogen van God. Het is nu juist hiervoor dat jullie geroepen zijn: ook de Gezalfde heeft immers voor jullie geleden en jullie zo een voorbeeld nagelaten, zodat jullie in zijn spoor zouden gaan. Hij heeft geen zonde begaan, en uit zijn mond is nooit bedrog gekomen. Werd hij uitgescholden, dan schold hij niet terug; leed hij, dan uitte hij geen dreigement, maar hij legde alles in handen van hem die rechtvaardig oordeelt. Hij heeft zelf onze zonden in zijn eigen lichaam op het kruishout gedragen, zodat wij, afgestorven aan de zonden, zouden leven voor de gerechtigheid; door zijn striemen zijn jullie genezen. Vroeger waren jullie schapen die ronddoolden, maar nu hebben jullie je gewend tot de herder die over je ziel waakt.

← 1 Petrus 11 Petrus 3 →