Hoofdstuk
1 Samuël 2
Toen bad Hanna: “Mijn hart juicht om de HEER, door de HEER staat mijn hoorn fier omhoog; brutaal spreek ik mijn vijanden toe, want ik jubel om uw redding. Niemand is heilig zoals de HEER; buiten u bestaat er geen, en met onze God laat geen rots zich vergelijken. Blijf toch niet zo hoogmoedig praten, laat geen hooghartige taal je mond ontsnappen; want de HEER is een alwetende God, en door hem worden de daden getoetst. De boog van de helden ligt gebroken, maar wie wankelden, gorden zich met kracht. Wie verzadigd waren, verhuren zich voor brood, maar wie honger leden, kennen honger niet meer; de onvruchtbare baart er zeven, maar de moeder van velen kwijnt weg. De HEER doet sterven en doet leven, hij voert neer naar het dodenrijk en haalt weer op. De HEER maakt arm en maakt rijk, hij vernedert en hij verheft. Uit het stof richt hij de geringe op, van de vuilnishoop tilt hij de arme omhoog, om hem bij edelen te laten zitten en hem een erezetel te schenken. Want aan de HEER behoren de pijlers der aarde, en daarop heeft hij het aardrijk gezet. De voeten van wie hem trouw zijn behoedt hij, maar de goddelozen vergaan in het duister; want niet op eigen kracht houdt een mens stand. Wie de HEER bestrijden, worden verbrijzeld, over hen laat hij uit de hemel de donder rollen. De HEER spreekt recht tot aan de einden der aarde; hij schenkt kracht aan zijn koning en richt de hoorn van zijn gezalfde hoog op.”
Vervolgens ging Elkana huiswaarts naar Rama, terwijl het kind bij de priester Eli achterbleef om de HEER te dienen. De zonen van Eli waren echter verdorven lieden, die zich niets van de HEER aantrokken. Zo plachten deze priesters met het volk om te gaan: telkens als iemand een offerdier slachtte, verscheen de knecht van de priester, terwijl het vlees nog kookte, met een drietandige vork in de hand; die stak hij in de kookpot, de ketel, de pan of de schaal, en alles wat de vork naar boven bracht, eigende de priester zich toe. Zo deden zij met alle Israëlieten die daar te Silo kwamen. Ja, nog eer het vet verbrand was, verscheen de bediende van de priester met de eis aan de offeraar: “Lever vlees om te braden voor de priester; van gekookt vlees wil hij niets weten, hij neemt het rauw.” Wierp de offeraar tegen: “Men moet eerst het vet in rook laten opgaan, neem daarna zoveel je wilt,” dan antwoordde hij: “Nee, geef het nú, anders neem ik het met geweld.” Zo woog de zonde van deze jonge mannen voor de HEER bijzonder zwaar, want zij bejegenden de offergave van de HEER met minachting.
Samuël intussen verrichtte dienst voor de HEER; als jongen droeg hij een linnen efod. Elk jaar maakte zijn moeder een manteltje voor hem en bracht dat mee wanneer zij met haar man het jaarlijkse offer kwam brengen. Telkens zegende Eli daarbij Elkana en diens vrouw met de wens: “Moge de HEER je uit deze vrouw nakomelingschap geven in de plaats van wat aan de HEER is afgestaan.” Daarna keerden zij huiswaarts. En werkelijk zag de HEER naar Hanna om: zij werd zwanger en bracht nog drie zonen en twee dochters ter wereld, terwijl de jonge Samuël opgroeide in de nabijheid van de HEER.
Eli was inmiddels hoogbejaard. Hem kwam ter ore hoe zijn zonen heel Israël behandelden, en dat zij zelfs sliepen met de vrouwen die bij de ingang van de ontmoetingstent dienstdeden. Hij hield hun voor: “Waarom bedrijven jullie zulke dingen? Van iedereen verneem ik immers over jullie wangedrag. Zo hoort het niet, mijn zonen; wat mij ter ore komt, is geen goed bericht: jullie brengen immers het volk van de HEER tot zonde. Als een mens tegen zijn naaste zondigt, treedt God als scheidsman op; maar bezondigt een mens zich tegen de HEER, wie kan er dan voor hem bemiddelen?” Toch sloegen zij geen acht op de woorden van hun vader, want de HEER wilde hen doden. De jonge Samuël daarentegen groeide gestaag op en won steeds meer de genegenheid van zowel de HEER als de mensen.
Toen kwam er een godsman bij Eli met de boodschap: “Dit zegt de HEER: Heb ik mij niet onmiskenbaar geopenbaard aan het huis van je voorvader, toen zij in Egypte onder de macht van de farao leefden? Uit alle stammen van Israël heb ik juist hem tot mijn priester verkoren, om dienst te doen aan mijn altaar, reukwerk te ontsteken en in mijn tegenwoordigheid de efod te dragen; en aan het huis van je voorvader wees ik alle vuuroffers van de Israëlieten toe. Waarom dan trappen jullie mijn slachtoffer en graanoffer met voeten, die ik voor mijn woonstede heb ingesteld? Jij stelt je zonen boven mij, doordat jullie je vetmesten met het beste van elke offergave van mijn volk Israël. Daarom, aldus de HEER, de God van Israël: ik had toch plechtig beloofd dat jouw huis en dat van je vader voor eeuwig voor mij zouden dienen. Maar nu, luidt de uitspraak van de HEER: daar komt niets van in! Immers, wie mij eer bewijst zal ik met eer belonen, wie mij minacht zal zelf veracht worden. Let op, de dagen komen dat ik jouw arm afhak en die van het huis van je vader, zodat niemand in jouw huis nog oud zal worden. Met afgunst zul je toezien op al het goede dat Israël ten deel valt, terwijl in jouw huis nooit meer iemand een hoge leeftijd bereikt. Slechts één van jou zal ik niet van mijn altaar wegsnijden, en juist die zal je ogen doen wegkwijnen en je hart doen versmachten; heel je verdere nageslacht zal in de bloei van het leven sterven. En dit zal jou het teken zijn, dat je beide zonen Hofni en Pinehas treft: op één en dezelfde dag zullen zij beiden sterven. Voor mijzelf zal ik een betrouwbare priester doen opstaan, die handelt naar mijn hart en mijn ziel; ik zal voor hem een blijvend huis bouwen, en levenslang zal hij voor mijn gezalfde uit gaan. Al wie er van jouw huis overblijft, zal zich bij hem komen vernederen voor een muntstuk en een homp brood, smekend: ‘Stel mij toch aan bij enige priesterdienst, dan heb ik een stuk brood te eten.’”