Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

1 Tessalonicenzen 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Jullie beseffen zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan jullie niet zonder uitwerking is gebleven. Kort daarvoor hadden we in Filippi geleden en waren we mishandeld, zoals jullie weten; toch vonden we bij onze God de moed om jullie zijn evangelie te brengen, ondanks felle tegenstand. Onze oproep berust niet op dwaling, onzuivere motieven of bedrog. Integendeel, God heeft ons na toetsing het evangelie toevertrouwd, en daarom spreken we zoals we spreken: niet om mensen naar de mond te praten, maar om God te behagen, die ons hart doorgrondt. Nooit hebben we, dat weten jullie, vleiende woorden gebruikt of een dekmantel voor hebzucht gezocht; God is onze getuige. We zochten evenmin de lof van mensen, niet bij jullie en niet bij anderen, ook al hadden we als apostelen van de Gezalfde ons gezag kunnen laten gelden. In plaats daarvan traden we vriendelijk in jullie midden op, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert. Zo innig waren we op jullie gesteld, dat we jullie niet alleen het evangelie van God gunden, maar ook ons eigen leven; zo dierbaar waren jullie ons geworden. Jullie herinneren je toch, broeders en zusters, onze inspanning en ons gezwoeg: dag en nacht in de weer, om niemand van jullie tot last te zijn, hebben we jullie het evangelie van God verkondigd. Jullie zijn er getuige van, en God is het ook, hoe toegewijd, rechtvaardig en onberispelijk wij ons tegenover jullie gelovigen hebben gedragen. En jullie weten hoe wij, als een vader met zijn eigen kinderen, ieder van jullie hebben toegesproken: we hebben jullie aangemoedigd, bemoedigd en op het hart gedrukt om te leven zoals God het waard is, want hij roept jullie naar zijn eigen koninkrijk en glorie.

Ook hierom danken wij God zonder ophouden. Toen jullie de boodschap hoorden die wij namens God brachten, hebben jullie die niet opgevat als woorden van mensen. Jullie namen haar aan voor wat ze echt is: Gods eigen woord, dat werkzaam is in jullie die geloven. Want jullie, broeders en zusters, zijn de voetsporen gaan volgen van Gods gemeenten in Judea die met de Gezalfde Jezus verbonden zijn. Van je eigen volksgenoten hebben jullie hetzelfde te verduren gehad als zij van de Judeeërs, die de Heer Jezus én de profeten hebben gedood en ook ons hebben verdreven. Zij staan God tegen en keren zich tegen alle mensen, doordat ze ons willen verhinderen de volken toe te spreken en hun redding aan te reiken. Daarmee maken ze onophoudelijk de maat van hun zonden vol. Maar de toorn heeft hen nu ten volle ingehaald.

Wat ons betreft, broeders en zusters, nu we een tijdlang van jullie gescheiden waren, alleen van gezicht en niet van hart: we hebben er des te heviger naar verlangd jullie weer te zien. Daarom wilden we naar jullie toe komen; ik, Paulus, heb het herhaaldelijk geprobeerd, maar de Satan heeft het ons belet. Wie is immers onze hoop, onze vreugde, de erekrans waarop we trots zijn, als niet juist jullie het zijn, straks voor onze Heer Jezus bij zijn komst? Ja, onze glorie en onze vreugde, dat zijn jullie.

← 1 Tessalonicenzen 11 Tessalonicenzen 3 →