Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

2 Timoteüs 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Jij dan, mijn kind, moet sterk worden door de genade die in de Gezalfde Jezus ligt. En wat je in het bijzijn van vele getuigen van mij gehoord hebt, geef dat door aan betrouwbare mensen die op hun beurt in staat zijn anderen te onderrichten. Draag je deel van de ontberingen, als een goede soldaat van de Gezalfde Jezus. Wie in dienst is, verliest zich niet in de beslommeringen van het dagelijks leven; hij wil immers hem tevredenstellen die hem heeft aangeworven. En een atleet wordt pas bekroond wanneer hij zich aan de regels van de wedstrijd houdt. De boer die zwoegt, hoort als eerste van de oogst te delen. Denk goed na over wat ik zeg; de Heer zal je op elk punt inzicht geven.

Houd Jezus de Gezalfde voor ogen, opgewekt uit de dood, voortgekomen uit het geslacht van David, zoals mijn evangelie luidt. Daarvoor verdraag ik ontbering, tot in de boeien, als was ik een misdadiger. Maar het woord van God zit niet gevangen. Daarom houd ik alles vol omwille van de uitverkorenen, zodat ook zij de redding bereiken die in de Gezalfde Jezus ligt, met eeuwige glorie erbij. Dit woord is betrouwbaar: stierven we met hem mee, dan leven we ook met hem mee; houden wij stand, dan zullen wij samen met hem heersen; verloochenen wij hem, dan zal ook hij ons verloochenen; zijn wij ontrouw, hij blijft trouw, want zichzelf verloochenen kan hij niet.

Blijf hun dit in herinnering roepen en bezweer hun voor Gods aangezicht: geen geruzie over woorden; dat dient nergens toe en stort de toehoorders alleen maar in het verderf. Doe je best om jezelf aan God voor te stellen als iemand die de toets doorstaat: een werker die zich niet hoeft te schamen en die het woord van de waarheid zuiver uiteenlegt. Mijd het goddeloze, holle geklets; het brengt de mensen alleen maar verder van God af, en hun woorden woekeren voort als een etterende wond. Tot dat slag horen Hymeneüs en Filetus, die van de waarheid zijn afgeraakt met hun bewering dat de opstanding al heeft plaatsgevonden, en zo brengen ze het geloof van sommigen aan het wankelen. Toch staat het hechte fundament van God onwrikbaar, voorzien van dit zegel: “De Heer kent wie hem toebehoren,” en: “Wie de naam van de Heer belijdt, moet het onrecht de rug toekeren.”

In een groot huis vind je niet enkel schalen van goud en zilver, maar ook stuks van hout en klei; het ene dient een eervol doel, het andere het alledaagse. Wie zich van dat alles reinigt, wordt een voorwerp voor eervol gebruik: geheiligd, bruikbaar voor de heer des huizes en gereed voor elk goed werk. Ontvlucht de begeerten van je jonge jaren, en jaag gerechtigheid, geloof, liefde en vrede na, in gezelschap van allen die met een zuiver hart de Heer aanroepen. Laat je niet in met dwaze, onbezonnen twistvragen; je weet dat ze alleen maar ruzie voortbrengen. Een dienaar van de Heer hoort niet te twisten, maar moet vriendelijk zijn voor iedereen, bekwaam in het onderwijzen en verdraagzaam onder onrecht. Met zachtmoedigheid moet hij wie zich verzetten terechthelpen. Wie weet schenkt God hun de inkeer waardoor ze de waarheid gaan inzien, en komen ze weer bij zinnen, ontsnapt aan de valstrik van de duivel, die hen had gevangen om zijn zin te doen.

← 2 Timoteüs 12 Timoteüs 3 →