Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Deuteronomium 14

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Jullie zijn kinderen van de HEER, jullie God. Breng jezelf daarom geen kerven toe en scheer geen kale plek boven je voorhoofd om een dode. Jij bent immers een heilig volk voor de HEER, je God, en uit alle volken op aarde koos de HEER juist jou tot zijn kostbaar eigendom.

Eet niets wat een gruwel is. Dit zijn de dieren die je mag eten: rund, schaap en geit, hert, gazelle, damhert, steenbok, antilope, wilde os en bergschaap. Elk dier met hoeven die volledig in tweeën gespleten zijn en dat bovendien herkauwt, mag je eten. Maar deze, die enkel herkauwen óf enkel gespleten hoeven hebben, blijven verboden: kameel, haas en klipdas herkauwen wel, maar hun hoeven zijn niet gespleten; ze gelden voor je als onrein. Het varken heeft juist wel gespleten hoeven maar herkauwt niet, en is dus onrein voor je; eet niet van zijn vlees en raak zijn kadaver niet aan.

Van alles wat in het water leeft, mag je dit eten: alles wat vinnen en schubben heeft, mag je eten. Alles echter zonder vinnen en schubben blijft voor je verboden; het is onrein.

Elke reine vogel mag je eten. Deze echter niet: de arend, de lammergier en de zeearend, verder de wouw, de valk en alle kiekendiefsoorten, alle soorten raven, de struisvogel, de nachtuil, de meeuw en elke soort havik, de steenuil, de oehoe, de witte uil, de pelikaan, de aasgier en de aalscholver, de ooievaar en alle reigersoorten, de hop en de vleermuis. Alle gevleugelde insecten zijn onrein voor je; die mag je niet eten. Al het reine gevogelte mag je wél eten. Een dier dat vanzelf gestorven is mag je niet eten; geef het aan de vreemdeling in je stad om te nuttigen, of verkoop het aan een buitenlander, want jij bent de HEER, je God, gewijd. En kook nooit een bokje in de melk van zijn moeder.

Elk jaar moet je stipt een tiende afzonderen van heel de opbrengst die je akker voortbrengt. Die tiende van je koren, most en olie, met de eerstgeborenen van je runderen en kleinvee, moet je opeten in de tegenwoordigheid van de HEER, je God, op de plaats die hij als woonplaats voor zijn naam zal aanwijzen, zodat je leert altijd ontzag voor de HEER, je God, te koesteren. Maar is die door de HEER, je God, gekozen woonplaats van zijn naam te ver weg om de tiende erheen te brengen, terwijl de HEER, je God, je overvloedig heeft gezegend, verzilver het dan; neem het geld mee in de hand en begeef je naar de door de HEER, je God, gekozen plaats. Besteed dat geld daar aan alles waar je hart naar uitgaat: rund of kleinvee, wijn of andere drank, alles wat je maar wenst, en vier daar in de tegenwoordigheid van de HEER, je God, met je gezin een vreugdemaaltijd. Laat daarbij de Leviet in je woonplaats niet aan zijn lot over, want hij bezit geen deel of erfgrond naast jou.

Aan het eind van elk derde jaar moet je heel de tiende van de opbrengst van dat jaar apart leggen en in je woonplaats opslaan. Dan kunnen de Leviet, die immers geen deel of erfgrond naast jou heeft, en de vreemdeling, de wees en de weduwe in je woonplaats komen eten tot zij verzadigd zijn; zo zal de HEER, je God, je zegenen bij al het werk dat je onderneemt.

← Deuteronomium 13Deuteronomium 15 →