Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Deuteronomium 9

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hoor, Israël: vandaag trek je de Jordaan over om volken te onderwerpen die sterker en talrijker zijn dan jij, met machtige steden die tot de hemel ommuurd zijn, een groot en rijzig volk, de Enakieten, die je kent en over wie je hebt horen zeggen: ‘Wie houdt stand tegen de zonen van Enak?’ Weet dan vandaag dat de HEER, je God, zelf voor je uit gaat als een verterend vuur; hij vernietigt hen en onderwerpt hen aan jou, zodat jij hen snel verdrijft en te gronde richt, zoals de HEER je heeft toegezegd. Denk niet bij jezelf, wanneer de HEER, je God, hen voor je uit verjaagt: ‘Om mijn eigen gerechtigheid heeft de HEER mij dit land binnengebracht.’ Nee, het is om de goddeloosheid van deze volken dat de HEER hen voor je uit verdrijft. Niet vanwege je gerechtigheid of je oprechte hart betrek je hun land; wegens de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEER, je God, hen, en om gestand te doen wat de HEER je voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede beloofde. Besef dus goed: niet om je gerechtigheid geeft de HEER, je God, je dit goede land in bezit, want je bent een koppig volk.

Vergeet niet, maar houd voor ogen hoe je in de woestijn de toorn van de HEER, je God, hebt gewekt. Van de dag dat je Egypte verliet tot je hier aankwam ben je opstandig geweest tegen de HEER. Ook bij de Horeb wekte je de toorn van de HEER, zozeer dat de HEER je wilde vernietigen. Ik was de berg opgeklommen om de stenen platen op te halen, de platen van het verbond dat de HEER met jullie aanging; veertig dagen en nachten verbleef ik daar, zonder brood te eten of water te drinken. De HEER reikte mij de twee stenen platen aan, beschreven door Gods eigen vinger; daarop stond alles wat de HEER op de dag van de samenkomst uit het vuur op de berg tot jullie had gesproken. Na afloop van die veertig dagen en nachten gaf de HEER mij de beide stenen platen, de platen van het verbond. De HEER sprak mij toe: ‘Kom overeind en ga vlug naar beneden, want het volk dat jij uit Egypte hebt gehaald, heeft zich misdragen; ijlings zijn zij van de voorgeschreven weg geweken en hebben zich een gegoten beeld vervaardigd.’ De HEER voegde eraan toe: ‘Ik heb dit volk goed bekeken, en zie: het is een halsstarrig volk. Laat mij begaan, dan vernietig ik hen en veeg ik hun naam onder de hemel weg; van jou echter maak ik een volk sterker en talrijker dan zij.’ Ik keerde mij om en daalde de berg af, die in brand stond, met de twee verbondsplaten in mijn beide handen. Toen zag ik dat jullie werkelijk tegen de HEER, jullie God, gezondigd hadden: jullie hadden je een gegoten kalf vervaardigd en waren pijlsnel van de door de HEER gewezen weg afgeweken. Daarop greep ik de twee platen, slingerde ze uit mijn handen en verbrijzelde ze voor jullie ogen. Opnieuw lag ik veertig dagen en veertig nachten voor de HEER neergebogen, net als tevoren, zonder brood te eten of water te drinken, wegens al het kwaad dat jullie voor de ogen van de HEER hadden bedreven en waarmee jullie hem hadden getergd. Ik was namelijk beducht voor de brandende woede waarmee de HEER tegen jullie tekeerging, zozeer dat hij jullie wilde vernietigen. Maar ook ditmaal hoorde de HEER mij aan. Ook op Aäron rustte zo’n zware toorn van de HEER dat die hem wilde doden; toen pleitte ik in die tijd eveneens voor Aäron. Het voorwerp van jullie zonde, het kalf dat jullie gemaakt hadden, nam ik, verbrandde het, sloeg het stuk en vermaalde het grondig tot fijn stof, dat ik uitstrooide in de beek die van de berg omlaag stroomt.

Ook bij Tabera, bij Massa en bij Kibrot-Hattaäwa wekten jullie de toorn van de HEER. En toen de HEER jullie vanuit Kades-Barnea op weg stuurde met de opdracht het land dat hij jullie schonk in bezit te gaan nemen, verzetten jullie je tegen het bevel van de HEER, jullie God; jullie schonken hem geen vertrouwen en gaven hem geen gehoor. Vanaf de dag dat ik jullie ken, zijn jullie opstandig tegen de HEER geweest.

Zo bleef ik veertig dagen en nachten voor de HEER ter aarde liggen, want de HEER had gedreigd jullie te vernietigen. Ik smeekte de HEER: ‘Soevereine HEER, breng uw volk en eigendom toch niet ten val, dat u in uw grootheid hebt losgekocht en met sterke hand uit Egypte hebt bevrijd. Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob; sla geen acht op de koppigheid van dit volk, op zijn goddeloosheid en zijn zonde, anders heet het in het land waar u ons weghaalde: de HEER kon hen niet in het toegezegde land brengen, en uit haat voerde hij hen weg om hen in de woestijn om te laten komen. Zij zijn immers uw eigen volk en eigendom, dat u met uw grote kracht en uitgestrekte arm hebt weggeleid.’

← Deuteronomium 8Deuteronomium 10 →