Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Efeziërs 3

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Om die reden ben ik, Paulus, een gevangene van de Gezalfde Jezus, en dat ter wille van jullie, de volken. Jullie hebben immers gehoord van de opdracht die God mij door zijn genade voor jullie heeft toevertrouwd: hoe mij door openbaring het geheim is onthuld, zoals ik hierboven al in het kort heb geschreven. Wie dat leest, kan daaraan merken welk inzicht ik heb in het geheim van de Gezalfde. Vroegere generaties kregen dit niet te horen; pas nu heeft de Geest het onthuld aan de heilige apostelen en profeten die hij daartoe koos: dat de volken mede-erfgenamen zijn, samen één lichaam vormen en meedelen in de belofte, dit alles in de Gezalfde Jezus dankzij het evangelie. Daarvan ben ik dienaar geworden, dankzij het geschenk van Gods genade dat mij ten deel viel door de werking van zijn kracht. Aan mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade verleend: aan de volken de ondoorgrondelijke rijkdom van de Gezalfde te verkondigen, en voor iedereen te verhelderen wat de bedoeling is van het geheim dat sinds mensenheugenis verborgen lag bij God, de schepper van alle dingen. Zo zou nu, via de gemeente, de veelkleurige wijsheid van God kenbaar worden aan de overheden en gezaghebbers in de hemelse gewesten. Zo luidde het plan dat hij van eeuwigheid af koesterde en dat hij heeft uitgevoerd in de Gezalfde Jezus, onze Heer. In hem, en door het vertrouwen op hem, mogen wij vrijmoedig en vol overtuiging tot God naderen. Verlies daarom de moed niet door wat ik voor jullie verduur; het strekt jullie juist tot eer.

Om die reden kniel ik neer voor de Vader, aan wie elk geslacht in hemel en op aarde zijn naam ontleent. Ik bid dat hij jullie uit de overvloed van zijn glorie de kracht schenkt om vanbinnen sterk te worden, door zijn Geest, zodat de Gezalfde door het geloof in jullie hart komt wonen en jullie in de liefde geworteld en gefundeerd raken. Dan zijn jullie in staat om samen met alle heiligen te vatten hoe breed en lang, hoe hoog en diep die liefde reikt, en de liefde van de Gezalfde te kennen, die alle kennis overstijgt, zodat jullie helemaal vervuld raken van de volheid van God.

Aan hem die, met de kracht die in ons werkzaam is, oneindig veel meer tot stand kan brengen dan wij vragen of ons kunnen indenken: aan hem behoort de glorie, in de gemeente en in de Gezalfde Jezus, tot in alle komende geslachten, voor eeuwig en altijd. Amen.

← Efeziërs 2Efeziërs 4 →