Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Ezechiël 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hij sprak mij aan: “Mensenkind, ga rechtop staan, dan zal ik het woord tot je richten.” Terwijl hij dat zei, kwam er een geest in mij die mij overeind zette, en ik hoorde hem die mij toesprak.

Hij vervolgde: mensenkind, ik stuur je naar de Israëlieten, naar dat opstandige volk dat tegen mij in verzet is gekomen; zij en hun voorouders hebben zich tot op de dag van vandaag tegen mij misdragen. Het zijn kinderen met een brutaal gezicht en een verhard hart; naar hen zend ik je, en je moet hun zeggen: zo spreekt de soevereine HEER. En of ze nu luisteren of niet, opstandig als dat volk is, ze zullen in elk geval beseffen dat er een profeet in hun midden is geweest. En jij, mensenkind, laat je niet door hen en hun woorden bang maken, ook al zit je tussen distels en doornstruiken en woon je te midden van schorpioenen; wees niet bevreesd voor wat ze zeggen en laat je door hun blikken niet ontmoedigen, want het is een opstandig volk. Je moet mijn woorden aan hen doorgeven, of ze nu luisteren of niet, want opstandig zijn ze.

En jij, mensenkind, luister naar wat ik je te zeggen heb; wees niet weerspannig zoals dat weerspannige volk. Doe je mond open en eet op wat ik je aanreik. Ik keek, en daar zag ik een hand naar mij uitgestoken met daarin een boekrol. Hij ontrolde die voor mij; hij was aan beide kanten beschreven, en wat erop stond waren klaagzangen, gejammer en weeklachten.

← Ezechiël 1Ezechiël 3 →