Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Hooglied 5

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hij: Ik ben mijn tuin binnengegaan, mijn zuster, mijn bruid;
ik heb mijn mirre en mijn balsem geplukt, mijn honingraat met de honing gegeten, mijn wijn en mijn melk gedronken. Kom, mijn vrienden, eet en drink, word maar dronken van de liefde!

Zij: Ik lag te slapen, maar mijn hart bleef waken. Hoor, daar klopt mijn geliefde: “Doe open, mijn zuster, mijn liefste, mijn duif, mijn volmaakte;
mijn hoofd is doornat van de dauw en mijn lokken van de druppels van de nacht.”

Maar ik had mijn kleed al afgelegd, moest ik het soms weer aandoen? Ik had mijn voeten al gewassen, moest ik ze soms weer vies maken?

Toen stak mijn geliefde zijn hand door de opening van de deur, en alles in mij begon te sidderen om hem.

Ik kwam overeind om voor mijn geliefde de deur te openen, en van mijn handen droop de mirre, van mijn vingers stroomde de mirre over de handgreep van de grendel.

Ik deed voor mijn geliefde open, maar hij had zich al omgedraaid en was verdwenen. Mijn adem stokte toen hij sprak. Ik ging naar hem op zoek, maar vond hem niet;
ik riep hem, maar hij gaf geen antwoord.

De wachters die in de stad hun ronde lopen, kwamen mij tegen;
zij sloegen mij en brachten mij verwondingen toe, en de muurwachters trokken mij mijn omslagdoek af.

Ik roep jullie plechtig op, meisjes van Jeruzalem: als jullie mijn geliefde vinden, zeg hem dan dit: dat ik ziek ben van liefde.

De meisjes van Jeruzalem: Wat heeft jouw geliefde meer dan een ander, mooiste van alle vrouwen? Wat heeft jouw geliefde meer dan een ander, dat je ons zo bezweert?

Zij: Mijn geliefde straalt en is fris van gelaat, hij springt eruit tussen tienduizend anderen.

Zijn hoofd is als het zuiverste goud, zijn haardos golft en is zo zwart als een raaf.

Zijn ogen zijn als duiven aan de waterkant, gebaad in melk en zittend aan een volle vijver.

Zijn wangen zijn als perken vol balsem, bedden waarop geurige kruiden groeien;
zijn lippen zijn lelies waarvan vloeiende mirre afdruipt.

Zijn armen zijn staven van goud, ingelegd met edelstenen;
zijn buik is een tafel van ivoor, bezet met saffieren.

Zijn benen zijn pilaren van albast, geplaatst op voetstukken van het zuiverste goud;
zijn gestalte doet aan de Libanon denken, zo rijzig als de ceders.

Zijn mond is louter zoetheid, en heel zijn verschijning is een en al begeerte. Zo is mijn geliefde, zo is mijn vriend, meisjes van Jeruzalem.

← Hooglied 4Hooglied 6 →