Hoofdstuk
Jeremia 2
Het woord van de HEER bereikte mij: ga naar Jeruzalem en verkondig luid, dit zegt de HEER: ik denk nog met warmte terug aan je toewijding in je jonge jaren, aan je liefde als bruid, toen je mij achternatrok door de woestijn, door een land waar niets gezaaid werd. Israël was destijds aan de HEER gewijd, de allereerste opbrengst van zijn oogst; wie zich eraan vergreep laadde schuld op zich en werd door onheil getroffen, luidt de uitspraak van de HEER.
Volk van Jakob, en alle families van Israëls huis, luister toch naar wat de HEER verkondigt. Dit zegt de HEER: welk kwaad hebben jullie voorouders bij mij aangetroffen, dat ze zo ver bij mij vandaan raakten, achter waardeloze afgoden aanliepen en zelf even waardeloos werden? Nooit vroegen zij: “Waar is de HEER toch, die ons uit Egypte omhoog leidde en ons begeleidde door de woestijn, door een streek vol steppen en ravijnen, een gebied van droogte en dodelijke duisternis, een land waar niemand doorheen reist en geen mens verblijft?” Ik heb jullie naar een vruchtbaar land gebracht om van zijn opbrengst en overvloed te genieten, maar toen jullie er kwamen bezoedelden jullie mijn land en maakten jullie mijn erfdeel tot iets weerzinwekkends. De priesters vroegen zich niet af waar de HEER was, wie de onderwijzing uitlegden kenden mij niet, de leiders vielen van mij af en de profeten profeteerden in naam van Baäl en liepen achter goden aan die tot niets in staat zijn. Daarom voer ik opnieuw een aanklacht tegen jullie, luidt de uitspraak van de HEER, en tot in de generatie van jullie kleinkinderen zal ik die aanklacht voortzetten. Steek maar eens over naar de kustlanden van Kittim om te kijken en stuur boden naar Kedar om nauwkeurig te onderzoeken of zoiets daar ooit is voorgekomen: heeft ooit een volk zijn goden ingewisseld, hoewel dat helemaal geen echte goden zijn? Toch heeft mijn volk zijn eigen glorie ingeruild voor iets wat niets oplevert. Sta hierover verstijfd, hemel, sla van ontzetting aan het huiveren en verstar volledig, luidt de uitspraak van de HEER. Want mijn volk heeft zich aan twee misstappen schuldig gemaakt: mij hebben ze verlaten, de bron van stromend water, en ze hebben voor zichzelf regenbakken uitgehakt, gebarsten bakken die geen druppel water vasthouden.
Is Israël soms een slaaf of iemand die als slaaf geboren is? Waarom is hij dan een buit geworden? Jonge leeuwen brulden tegen hem en lieten hun gegrom horen; ze veranderden zijn land in een woestenij en zijn steden liggen verbrand en ontvolkt. Zelfs de inwoners van Memphis en Tachpanhes hebben je schedel kaalgevreten. Heb je dit niet aan jezelf te wijten, doordat je de HEER, je God, in de steek liet op het moment dat hij je onderweg begeleidde? En wat zoek je nu toch op de weg naar Egypte? Wil je soms uit de wateren van de Nijl drinken? En waarom reis je richting Assyrië? Is het om te drinken uit de stroom van de Rivier? Je eigen wandaad brengt je straf en je afvalligheid dient als aanklacht tegen je. Zie toch in hoe kwalijk en pijnlijk het uitpakt wanneer je de HEER, je eigen God, in de steek laat en elk ontzag voor mij kwijtraakt, luidt de uitspraak van de soevereine HEER van de hemelse legermachten.
Al heel lang geleden heb ik je juk stukgebroken en je boeien losgemaakt, maar toch verklaarde je: “Ik pieker er niet over te dienen!” Ja, op elke verhoogde heuvel en onder elke bladerrijke boom vlijde je je neer om ontucht te bedrijven. Ik had je nog wel geplant als een voortreffelijke wijnstok van volkomen zuiver ras. Hoe kon je dan tegenover mij ontaarden tot een wilde, vreemde wingerd? Al zou je je met loog schrobben en er stapels zeep bij gebruiken, toch blijft de smet van je schuld voor mij zichtbaar, luidt de uitspraak van de soevereine HEER. Hoe durf je te beweren: “Ik ben niet bezoedeld, ik heb de Baäls niet nagelopen”? Kijk maar eens naar je gedrag in het dal en besef wat je hebt uitgespookt, jij snelle jonge kamelin die alle kanten op holt, een wilde ezelin die de steppe gewend is en in haar bronst de wind opsnuift; wie kan haar drift indammen? Wie haar zoekt hoeft zich niet uit te sloven, want in haar paartijd treft hij haar vanzelf. Bespaar je voeten het blootlopen en je keel de dorst. Maar jij zei: “Het heeft geen zin, nee! Want ik ben verzot op vreemden en achter hen aan ga ik.” Zoals een dief zich schaamt wanneer hij op heterdaad wordt betrapt, zo staat het volk van Israël te schande: hun koningen en hun leiders, hun priesters en hun profeten, die tegen een stuk hout zeggen dat het hun vader is en tegen een steen dat die hen heeft gebaard. Ze hebben mij hun rug in plaats van hun gezicht toegekeerd, maar zodra het onheil komt roepen ze: “Sta op en red ons!” Waar zijn dan die goden gebleven die je voor jezelf hebt gefabriceerd? Laat ze maar opstaan als ze je op het moment van je ondergang kunnen redden! Want je hebt evenveel goden verzameld als je steden telt, Juda.
Waarom spannen jullie een rechtszaak tegen mij aan? Jullie zijn allemaal tegen mij in opstand gekomen, luidt de uitspraak van de HEER. Voor niets heb ik jullie kinderen geslagen; ze trokken zich de vermaning niet aan. Als een leeuw op roof verslond jullie eigen zwaard jullie profeten. Ach, wat een generatie! Let toch zelf op het woord van de HEER: ben ik voor Israël soms een woestijn geweest of een land van diepe duisternis? Waarom beweert mijn volk dan: “Wij gaan onze eigen gang, wij komen niet meer bij u terug”? Vergeet een meisje ooit haar sieraden of een bruid haar bruidsgordel? Toch is mijn volk mij al ontelbaar veel dagen vergeten. Wat weet je je koers goed te bepalen wanneer je op zoek bent naar liefde! Zelfs de meest verdorven vrouwen heb je je eigen paden bijgebracht. Zelfs aan de zomen van je gewaad kleeft het bloed van weerloze, onschuldige mensen, en dat terwijl je ze niet eens op inbraak had betrapt. En ondanks dit alles durf je te zeggen: “Ik ben onschuldig, zijn woede heeft zich immers van mij afgekeerd.” Let op, ik daag je voor het gerecht juist omdat je volhoudt dat je niet hebt gezondigd. Wat heb je er toch een handje van om steeds weer van koers te wisselen! Ook door Egypte word je te schande gemaakt, net zoals Assyrië je al eerder te schande maakte. Ook daarvandaan zul je vertrekken met je handen boven je hoofd geslagen, want de HEER heeft degenen op wie jij je verlaat verworpen; met hen zul je geen succes boeken.