Hoofdstuk
Jeremia 31
In die tijd, luidt de uitspraak van de HEER, zal ik voor alle families van Israël hun God zijn, en zij zullen mijn volk vormen. Dit verklaart de HEER: het volk dat aan het zwaard ontsnapte, ondervond genade in de wildernis; Israël trok verder, op zoek naar zijn rustplaats. Van ver heeft de HEER zich aan mij vertoond: met een liefde die eeuwig duurt heb ik je bemind, en daarom heb ik mijn trouw aan jou volgehouden. Ik zal je opnieuw opbouwen, en herbouwd zul je worden, jonge vrouw Israël; je zult je tamboerijnen weer opnemen en meedansen in de vrolijke rei. Weer zul je wijngaarden aanleggen op de heuvels van Samaria; wie ze poten, zullen zelf van de opbrengst genieten. Want er breekt een dag aan waarop de wachtposten in het bergland van Efraïm zullen roepen: “Vooruit, laten we opklimmen naar Sion, naar de HEER, onze God.”
Want dit verklaart de HEER: barst uit in gejubel om Jakob, juich als eerste onder de volken; laat je stem klinken, breng lof en roep: red toch, HEER, uw volk, wat er van Israël is overgebleven! Kijk, ik voer hen aan uit het noorderland en breng hen samen van de uithoeken van de aarde; ook de blinde en de kreupele zijn erbij, de zwangere en de barende vrouw tegelijk; in een grote stoet keren zij hierheen terug. In tranen zullen ze aankomen, en al smekend zal ik hen begeleiden; ik leid hen naar waterrijke beken, langs een geëffend pad waarop ze niet zullen struikelen. Ik ben immers een vader voor Israël, en Efraïm is mijn eerstgeboren zoon. Luister naar het woord van de HEER, volken, en verkondig het op de verste kusten: hij die Israël verstrooide, brengt het weer samen en waakt erover zoals een herder over zijn kudde. De HEER heeft Jakob namelijk losgekocht en hem bevrijd uit de greep van een sterkere macht. Juichend komen ze naar de hoogte van Sion en stromen samen naar de rijke gaven van de HEER: het graan, de jonge wijn en de olie, de lammeren en de kalveren. Hun leven wordt als een goedbesproeide tuin, en nooit meer zullen ze wegkwijnen. Dan danst het meisje van blijdschap in de rei, en jong en oud vieren samen feest. Ik keer hun rouw om in vreugde, ik troost hen en schenk hun blijdschap na hun verdriet. De priesters overlaad ik met een overvloed aan spijs, en mijn volk zal met mijn milde gaven verzadigd raken, luidt de uitspraak van de HEER.
Dit verklaart de HEER: in Rama klinkt een geluid, een jammerklacht en bitter gehuil: Rachel beweent haar kinderen en laat zich over hen niet troosten, want ze zijn er niet meer. Dit verklaart de HEER: houd je stem in van het huilen en je ogen van de tranen, want je inspanning wordt beloond, luidt de uitspraak van de HEER; ze komen terug uit het vijandelijke land. Er is uitzicht voor je toekomst, luidt de uitspraak van de HEER: je kinderen zullen naar hun eigen streek terugkeren.
Ik heb Efraïm heel duidelijk horen klagen: “U hebt mij afgestraft, en afgestraft ben ik als een nog ongetemd kalf. Laat mij terugkeren, dan keer ik om, want u bent de HEER, mijn God. Nadat ik de rug had toegekeerd kreeg ik spijt, en toen ik tot bezinning kwam sloeg ik mij op de heup. Ik stond beschaamd, ja diep vernederd, omdat ik de schande van mijn jonge jaren met me meedroeg.” Is Efraïm voor mij niet een geliefde zoon, een kind waar ik vreugde aan beleef? Zo vaak als ik over hem praat, blijf ik vol genegenheid aan hem denken. Daarom is mijn hart om hem geroerd; ik zal me beslist over hem ontfermen, luidt de uitspraak van de HEER.
Plaats voor jezelf wegmarkeringen en zet mijlpalen neer; sla goed acht op de gebaande weg, het pad dat je bent gegaan. Kom terug, jonge vrouw Israël, kom terug naar deze steden van jou. Hoe lang blijf je nog dralen, weerspannige dochter? De HEER brengt namelijk iets ongekends tot stand op aarde: een vrouw zal een man omsluiten.
Dit verklaart de HEER van de hemelse legermachten, de God van Israël: in Juda en zijn steden zal men opnieuw deze woorden uitspreken zodra ik hun lot ten goede keer: “Moge de HEER je zegenen, oord van gerechtigheid, heilige berg.” Daar zullen Juda en al zijn steden samen wonen, zowel de boeren als wie met hun kudden rondtrekken. Want wie uitgeput is heb ik verkwikt, en ieder die wegkwijnt heb ik verzadigd. Op dat moment werd ik wakker en keek om me heen, en mijn slaap was mij zoet geweest. Let op, er breken dagen aan, luidt de uitspraak van de HEER, dat ik zowel de gemeenschap van Israël als die van Juda inzaai met het zaad van mens en dier. En zoals ik erop toezag hen te ontwortelen, neer te halen, af te breken, te verwoesten en in het ongeluk te storten, zo zal ik er nu op toezien hen te planten en op te bouwen, luidt de uitspraak van de HEER. In die dagen zal men niet langer zeggen: “De ouders hebben zure druiven gegeten en de kinderen kregen er stompe tanden van.” Nee, ieder zal om zijn eigen schuld sterven; wie zelf zure druiven eet, krijgt daar zelf stompe tanden van.
Let op, er breken dagen aan, luidt de uitspraak van de HEER, dat ik een nieuw verbond zal sluiten, zowel met de gemeenschap van Israël als met die van Juda, anders dan het verbond dat ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden; dat verbond hebben zíj verbroken, terwijl ík hun echtgenoot was, luidt de uitspraak van de HEER. Nee, dit is het verbond dat ik na die tijd met het huis van Israël aanga, luidt de uitspraak van de HEER: mijn onderwijzing leg ik diep in hun binnenste en ik grif haar in hun hart; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Dan hoeft niemand meer zijn medemens of zijn broer te onderwijzen met de woorden: “Leer de HEER kennen!” Want ze zullen mij allemaal kennen, van de kleinste tot de grootste, luidt de uitspraak van de HEER; ik vergeef immers hun schuld en denk aan hun zonde niet langer terug.
Dit verklaart de HEER, die de zon aanwijst om de dag te verlichten en de maan en de sterren hun vaste baan geeft ter verlichting van de nacht, die de zee in beroering brengt zodat haar golven razen; hemelse legermachten is de naam van deze HEER: mochten die vaste wetmatigheden ooit voor mij wankelen, luidt de uitspraak van de HEER, dan pas zou het nageslacht van Israël ophouden voorgoed mijn volk te zijn. Dit verklaart de HEER: kon de hemel daarboven ooit worden opgemeten en de fundamenten van de aarde beneden worden gepeild, dan pas zou ik heel het nageslacht van Israël verwerpen om alles wat ze hebben aangericht, luidt de uitspraak van de HEER.
Let op, er breken dagen aan, luidt de uitspraak van de HEER, dat de stad ter ere van de HEER wordt herbouwd, van de Chananeltoren tot aan de Hoekpoort. Vandaar loopt het meetlint nog verder, kaarsrecht door tot de heuvel Gareb, om dan af te buigen naar Goa. En heel de vallei met de lijken en de as, met alle akkers tot aan het Kidrondal en tot aan de hoek van de Paardenpoort in het oosten, zal aan de HEER gewijd zijn. Nooit meer zal het worden uitgerukt of neergehaald, tot in eeuwigheid.