Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jeremia 4

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Als je werkelijk wilt terugkeren, Israël, luidt de uitspraak van de HEER, kom dan bij mij terug; en als je je walgelijke afgoden uit mijn ogen verwijdert en niet langer ronddoolt, en als je zweert bij het leven van de HEER op een eerlijke, rechtvaardige en oprechte manier, dan zullen de volken zich door hem gezegend weten en zich op hem beroemen. Want dit zegt de HEER tegen de bewoners van Juda en Jeruzalem: ploeg voor jezelf de braakliggende grond om en strooi je zaad niet uit tussen de doornstruiken. Laat je hart voor de HEER besnijden en verwijder de voorhuid ervan, mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem; anders slaat mijn woede als een vuur naar buiten dat brandt zonder dat iemand het blust, vanwege de slechtheid van jullie daden.

Kondig het aan in Juda en laat het horen in Jeruzalem, roep het rond: blaas op de ramshoorn door heel het land! Schreeuw luidkeels: verzamel je en laten we wegvluchten naar de vestingsteden! Steek een signaalvlag omhoog richting Sion, breng jezelf in veiligheid en blijf niet dralen! Want vanuit het noorden laat ik onheil aanrukken, een enorme ramp. Een leeuw is uit zijn schuilplaats tevoorschijn gekomen en een volkenverwoester is opgetrokken; hij heeft zijn plaats verlaten om jouw land tot een woestenij te maken, zodat je steden in puin komen te liggen, ontvolkt. Trek hierom rouwgewaden aan, hef een klaagzang aan en jammer, want de brandende woede van de HEER heeft zich niet van ons afgewend.

Op die dag, luidt de uitspraak van de HEER, zal de moed de koning en de leiders in de schoenen zinken, zullen de priesters verstijven van schrik en de profeten met stomheid geslagen zijn. Toen zei ik: “Ach, soevereine HEER, u hebt dit volk en Jeruzalem lelijk om de tuin geleid door te beloven dat het vrede zou hebben, terwijl het zwaard hun al op de keel staat.” In die tijd zal tegen dit volk en Jeruzalem gezegd worden: een schroeiende wind vanaf de kale woestijnhoogten waait op de dochter van mijn volk af, niet om te wannen en niet om te zuiveren; een wind die daar veel te heftig voor is, komt op mijn bevel opzetten. Nu ga ook ik het vonnis over hen uitspreken.

Kijk, hij komt op als een wolkenmassa, zijn strijdwagens als een wervelstorm, zijn paarden sneller dan arenden. Wee ons, wij zijn verloren! Spoel het kwaad uit je hart, Jeruzalem, zodat je gered kunt worden. Hoe lang laat je je verderfelijke plannen nog in je binnenste overnachten? Er komt namelijk een bericht van Dan aanwaaien dat vanaf het bergland van Efraïm onheil aankondigt. Breng het de volken ter kennis en waarschuw Jeruzalem: er komen belegeraars uit een ver land opzetten die luidkeels tekeergaan tegen de steden van Juda. Als veldwachters die een akker bewaken sluiten zij haar van alle kanten in, want ze is tegen mij in opstand gekomen, luidt de uitspraak van de HEER. Je eigen levenswandel en je eigen daden hebben je dit bezorgd. Dit is je onheil, en wat is het bitter, hoe diep dringt het door tot in je hart!

Mijn binnenste, ach mijn binnenste, ik krimp ineen van pijn! Mijn hart bonkt tegen zijn wanden en gaat in mij tekeer, ik kan niet langer stil blijven, want ik verneem het geschal van de ramshoorn, het krijgsgeschreeuw dringt tot in mijn ziel door. De ene ramp na de andere wordt gemeld, want heel het land ligt verwoest. Van het ene moment op het andere zijn mijn tenten vernield en in een oogwenk mijn tentkleden. Hoe lang moet ik nog uitkijken naar de signaalvlag en luisteren naar het geschal van de ramshoorn? Mijn volk is nu eenmaal dwaas en heeft geen kennis van mij; het zijn onnozele kinderen zonder enig doorzicht; bedreven zijn ze in het kwaad, maar het goede weten ze niet te doen.

Ik richtte mijn blik op de aarde, en zie: ze was een woeste leegte; en op de hemel, maar zijn licht was verdwenen. Ik richtte mijn blik op de bergen, en zie: ze stonden te trillen, en alle heuvels schokten heen en weer. Ik keek, en zie: er was geen mens meer te bekennen, en alle vogels aan de hemel waren weggevlucht. Ik keek, en zie: het vruchtbare land was tot woestijn geworden en al zijn steden waren met de grond gelijkgemaakt, door toedoen van de HEER, door zijn brandende woede. Want dit zegt de HEER: heel het land zal een woestenij worden, al zal ik er geen volledig einde aan maken. Daarom zal de aarde in rouw gaan en de hemel daarboven in duisternis gehuld raken, want ik heb gesproken en het besloten; ik heb er geen berouw over en zal er niet op terugkomen.

Bij het kabaal van ruiterij en boogschutters slaat elke stad op de vlucht; ze duiken weg in het struikgewas en klauteren de rotsen op. Elke stad staat er verlaten bij, er woont geen mens meer. En jij, ten ondergang gedoemde, wat ben je van plan? Al hul je je in scharlaken, al hang je gouden sieraden om en al maak je je ogen groter met oogzwart, je maakt jezelf tevergeefs mooi. Je minnaars kijken op je neer en staan je naar het leven. Ik hoor namelijk een gegil als van een vrouw in barensnood, de angstkreet van iemand die haar eerste kind baart, de stem van dochter Sion die naar lucht hapt en haar handen uitstrekt: “Wee mij, ik bezwijk, mijn leven is in de greep van moordenaars!”

← Jeremia 3Jeremia 5 →