Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jeremia 8

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

In die tijd, luidt de uitspraak van de HEER, zal men het gebeente van de koningen van Juda en van zijn leiders, van de priesters, van de profeten en van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven tevoorschijn halen. Men zal het uitstrooien onder de zon, de maan en heel het hemelse sterrenleger, die zij hebben liefgehad en gediend, achterna zijn gelopen, hebben geraadpleegd en aanbeden. Het wordt niet bijeengeraapt en niet begraven, maar zal als mest over de aardbodem blijven liggen. En voor de hele rest die van dit verdorven geslacht overblijft, op elke plek waarheen ik hen heb verdreven, zal de dood aantrekkelijker zijn dan het leven, luidt de uitspraak van de HEER van de hemelse legermachten.

Zeg hun: dit verklaart de HEER. Staat iemand die valt niet gewoon weer op? Keert iemand die zich afwendt niet gewoon weer terug? Waarom is dit volk van Jeruzalem dan in een onophoudelijke afkering blijven steken? Ze klampen zich vast aan bedrog en weigeren om te keren. Ik heb aandachtig geluisterd en gehoord dat ze niet spreken zoals het hoort; niemand betreurt zijn slechtheid met de vraag wat hij toch heeft aangericht. Ieder rent zijn eigen richting op, zoals een strijdros zich in de veldslag stort. Zelfs de ooievaar hoog aan de hemel kent haar vaste seizoenen, en tortelduif, gierzwaluw en kraanvogel houden zich aan hun trektijd; maar mijn volk kent de bepalingen van de HEER niet.

Hoe durven jullie te beweren dat jullie wijs zijn en dat de onderwijzing van de HEER bij jullie is? Kijk toch, de leugenachtige pen van de schriftgeleerden heeft er een leugen van gemaakt. De wijzen komen bedrogen uit, ze staan verbijsterd en worden gevangen. Kijk, ze hebben het woord van de HEER verworpen, dus welke wijsheid houden ze dan nog over? Daarom geef ik hun vrouwen aan anderen weg en hun akkers aan veroveraars; want van de geringste tot de aanzienlijkste is iedereen uit op oneerlijk gewin, en van profeet tot priester pleegt elk van hen bedrog. De breuk van de dochter van mijn volk lappen ze maar aan de buitenkant en ze verklaren dat alles vrede en vrede is, terwijl er van vrede geen sprake is. Schamen zij zich dat ze afschuwelijke dingen deden? Nee, geen greintje schaamte kennen ze en blozen kunnen ze niet meer. Daarom zullen ze vallen samen met wie vallen; op het moment van hun afrekening storten ze neer, luidt de uitspraak van de HEER.

Ik zal een streep door hen halen, luidt de uitspraak van de HEER; er hangt geen druif meer aan de wijnstok en geen vijg aan de vijgenboom, het gebladerte is verdord, en wat ik hun had gegeven ontglipt hun. Waarom blijven wij hier zitten? Kom bijeen en laten we ons terugtrekken in de vestingsteden om daar te sterven! Want de HEER, onze God, laat ons omkomen en geeft ons vergiftigd water te drinken, omdat we tegen de HEER hebben gezondigd. We hoopten op vrede, maar het goede bleef uit; we rekenden op een tijd van herstel, maar zie: enkel verschrikking. Vanuit Dan klinkt het gesnuif van de paarden, en bij het gehinnik van de hengsten siddert het hele land. Ze rukken op en verslinden het land met alles wat erop leeft, de stad en haar bewoners. Want let op, ik laat slangen op jullie los, giftige adders die door geen bezwering te temmen zijn, en die zullen jullie bijten, luidt de uitspraak van de HEER.

Mijn verdriet is niet te troosten, mijn hart is ziek van binnen. Hoor de noodkreet van de dochter van mijn volk uit een ver gebied: “Verblijft de HEER niet meer in Sion, is haar koning daar niet meer aanwezig?” Waarom hebben zij mij dan geprikkeld met hun godenbeelden, met die waardeloze vreemde afgoden? De oogsttijd is voorbij, de zomer is afgelopen, en toch zijn wij niet gered. Vanwege de verwonding die mijn arme volksdochter is toegebracht, ben ik zelf verpletterd; ik loop in het zwart gehuld en ontzetting heeft mij overweldigd. Is er dan geen balsem meer in Gilead, is daar geen genezer te vinden? Waarom is er dan geen herstel gekomen voor de dochter van mijn volk?

← Jeremia 7Jeremia 9 →