Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 41

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Verstom in mijn bijzijn, kustlanden, en laat de volken hun krachten hernieuwen. Laat hen naar voren komen en het woord nemen; samen zullen we ons voor de rechtszitting opstellen. Wie heeft er uit het oosten die man laten opstaan, aan wiens voeten de overwinning zich telkens aandient? Hij levert volken aan hem over en dwingt koningen op de knieën; met zijn zwaard vergruist hij hen tot stof, met zijn boog jaagt hij hen weg als opdwarrelend kaf. Hij zit hen achterna en gaat ongehinderd verder, over een route die zijn voeten nog nooit hadden afgelegd. Wie heeft dit alles bewerkstelligd en voltooid, wie heeft de generaties vanaf het prille begin geroepen? Ik ben het, de HEER, die er als eerste was, en ook bij de laatsten blijf ik dezelfde.

De kustlanden slaan het gade en worden bevreesd, de uithoeken van de aarde beginnen te sidderen; ze schuiven dichterbij en komen aangesneld. De een schiet de ander te hulp en spreekt zijn broeder bemoedigend toe: “Houd stand!” De ambachtsman geeft de goudsmid moed, wie het metaal met de hamer effent port degene op die het aambeeld bewerkt; over de soldeernaad zegt hij dat die deugt, en met spijkers klinkt hij het beeld vast zodat het niet omvalt.

Maar jij, Israël, bent mijn dienaar; Jakob, jou heb ik uitverkoren, jij bent het nageslacht van Abraham, die mij lief was. Van de uiteinden der aarde heb ik je opgehaald en uit haar verste uithoeken je geroepen; ik verzekerde je: “Jij bent mijn dienaar, ik heb voor jou gekozen en je niet afgewezen.” Laat je angst varen, want ik sta aan je zijde; kijk niet schichtig om je heen, want ik ben jouw God. Ik geef je kracht en kom je te hulp, ik houd je overeind met de rechterhand die het recht handhaaft.

Kijk, allen die in woede tegen je zijn losgebarsten zullen beschaamd en vernederd staan; wie ruzie met je zoeken lopen op niets uit en komen om. Je zult ze zoeken zonder ze te vinden, die mannen die de strijd met je aanbonden; wie oorlog tegen je voeren, worden helemaal niets, één grote nietigheid. Want ik, de HEER, jouw God, pak je bij je rechterhand; ik ben degene die je toezegt: “Wees niet bang, ik help je erdoorheen.”

Vrees niet, jij nietig wormpje Jakob, jij klein groepje Israël: ik sta je bij, luidt de uitspraak van de HEER, en je bevrijder is de Heilige van Israël. Let op, ik maak van jou een dorsslee, splinternieuw en scherp, met tanden aan weerszijden; je zult bergen platdorsen en fijnmalen en heuvels tot kaf verpulveren. Je zult ze opwerpen in de wind, die ze wegblaast, en de storm verspreidt ze alle kanten op. Maar jijzelf zult jubelen om de HEER en je trots vinden in de Heilige van Israël.

De armen en noodlijdenden speuren naar water, maar tevergeefs; hun tong is uitgedroogd van de dorst. Ik, de HEER, zal hun gebed verhoren; ik, de God van Israël, zal hen niet in de steek laten. Op kale hoogten laat ik stromen ontspringen en midden in de dalen bronnen opborrelen; de woestijn herschep ik tot een waterplas en de uitgedroogde grond tot opwellende bronnen. In de wildernis plant ik ceders, acacia’s, mirten en olijfbomen, en in de steppe zet ik cipressen, platanen en dennen naast elkaar, zodat men ziet en beseft, tot inzicht komt en met elkaar begrijpt dat de hand van de HEER dit heeft verricht en dat de Heilige van Israël het geschapen heeft.

Kom met je pleidooi op de proppen, zegt de HEER, breng je sterkste argumenten in, zegt de koning van Jakob. Laten zij naar voren treden en ons meedelen wat er gebeuren gaat. Vertel eens wat de vroegere dingen waren en wat ze betekenden, dan zullen wij ze overwegen en de uitkomst kennen; of laat ons horen wat er nog staat te komen. Maak bekend wat er hierna gebeurt, dan weten wij dat jullie werkelijk goden zijn. Onderneem gerust iets, in de goede of de kwade zin, zodat wij vol ontzag om ons heen kijken en het samen te zien krijgen. Kijk, jullie stellen minder dan niets voor en jullie werk betekent minder dan niets; wie jullie uitkiest is weerzinwekkend.

Uit het noorden heb ik iemand doen opstaan, en hij komt; vanwaar de zon opkomt roept hij mijn naam aan. Hij vertrapt heersers alsof het leem is, zoals een pottenbakker de klei kneedt. Wie heeft dit van tevoren aangekondigd zodat wij het konden weten, ruim op voorhand, zodat wij konden vaststellen dat hij gelijk had? Er was niemand die het meldde, niemand die het liet horen, niemand die ooit een woord uit jullie mond opving. Ik was de eerste die tegen Sion zei: “Kijk, daar zijn ze al!” En aan Jeruzalem schenk ik een brenger van goed nieuws. Ik speurde rond, maar er was geen mens te bekennen; onder hen bevond zich geen enkele raadsman aan wie ik iets kon voorleggen en die mij antwoord kon geven. Kijk, zij allen stellen niets voor en hun verrichtingen zijn nul; niet meer dan wind en leegte zijn hun gegoten godenbeelden.

← Jesaja 40Jesaja 42 →