Hoofdstuk
Jesaja 44
Maar luister nu, Jakob, jij die mijn dienaar bent, Israël, dat ik voor mij heb uitgekozen. Dit zegt de HEER, die je gemaakt heeft, die je al vanaf de moederschoot vormde en die je terzijde staat: heb geen angst, mijn dienaar Jakob, jij Jesjurun, die ik heb uitverkoren. Want ik zal water uitstorten over het uitgedroogde land en stromen over de verdorde grond; ook zal ik mijn Geest doen neerdalen over je nakomelingen en mijn zegen over je nageslacht. Ze zullen omhoogschieten te midden van het gras, als populieren aan de oever van beken. De een zal verklaren: “Ik hoor bij de HEER,” een ander zal zich tooien met de naam Jakob, en weer een ander zal op zijn hand krassen dat hij van de HEER is en de erenaam Israël aannemen.
Dit zegt de HEER, de koning van Israël, en zijn bevrijder, de HEER van de hemelse legermachten: ik ben het begin en ik ben het einde, en afgezien van mij bestaat er geen god. Wie is er aan mij gelijk? Laat hem het maar luid aankondigen, het uiteenzetten en aan mij voorleggen, sinds ik dit eeuwenoude volk in het leven riep; laten zij dan maar voorspellen wat er gaat komen en wat er staat te gebeuren. Raak niet in paniek en wees niet bevreesd. Heb ik het je niet lang van tevoren laten horen en verkondigd? Jullie zijn er zelf getuige van. Is er dan enige andere god dan ikzelf? Nee, een tweede rots bestaat niet, ik weet van geen enkele.
Al wie een godenbeeld vervaardigt, betekent niets, en de beelden waar ze zo op gesteld zijn, leveren niets op. Hun eigen aanhangers zien noch begrijpen iets, en dat zal hen te schande maken. Wie haalt het in zijn hoofd een god te fabriceren of een beeld te gieten dat tot niets dient? Kijk, iedereen die zich ermee inlaat komt bedrogen uit, en de makers zijn zelf niet meer dan mensen. Laten ze zich met z’n allen verzamelen en opstellen: ze zullen bibberen en gezamenlijk voor schut staan. De smid smeedt boven de gloeiende kolen met zijn gereedschap, geeft het beeld met hamerslagen vorm en bewerkt het met krachtige arm; maar hij wordt hongerig en put zich uit, en zonder een slok water raakt hij afgemat. De houtsnijder meet met een koord, tekent de omtrek af met een griffel, schaaft het glad en tekent het uit met een passer; zo geeft hij het de gedaante van een man, in de volle schoonheid van een mens, bestemd om in een woning te staan. Om aan hout te komen hakt hij ceders om, of hij zoekt een steeneik of een gewone eik uit en laat die tussen de bomen van het woud voor zich opgroeien; hij pot een laurier op, en de regen doet hem uitlopen. Voor de mens dient dit hout als brandstof: hij pakt er een stuk van om zich te verwarmen, hij stookt het op om er brood in te bakken. Maar van datzelfde hout maakt hij ook een god waarvoor hij zich neerbuigt, hij snijdt er een beeld uit en werpt zich ervoor neer. De ene helft gooit hij in het vuur, en boven die gloed roostert hij zijn vlees, dat hij verzadigd opeet; ook warmt hij zich eraan en verzucht: “Ha, wat een weldaad, ik voel de warmte, ik zie de gloed.” En van het overgebleven stuk maakt hij zijn eigen god, een beeld, waarvoor hij neerknielt en zich buigt en waartoe hij bidt: “Red mij toch, want u bent mijn god.” Ze hebben geen weet en geen benul, want hun ogen zijn dichtgekit zodat ze niets waarnemen en hun verstand is verstopt zodat ze niets doorzien. Niemand komt tot bezinning, niemand heeft het verstand of de wijsheid om te bedenken: “De ene helft heb ik in het vuur verbrand, op de gloeiende kolen heb ik zelfs brood gebakken en vlees geroosterd om op te eten, zou ik van het restant dan iets afzichtelijks maken en voor een stronk hout neervallen?” Wie zich met as voedt, laat zich meeslepen door een misleid hart; hij weet zichzelf niet te bevrijden en stelt zich nooit de vraag: “Klem ik geen leugen vast in mijn hand?”
Houd dit voor ogen, Jakob, en jij Israël, want jij bent mijn dienaar; ik heb je gevormd om mijn dienaar te zijn, Israël, jou vergeet ik nooit. Je opstandigheid heb ik weggeveegd als een wolkensluier en je zonden als ochtendnevel. Keer bij mij terug, want ik heb je vrijgekocht. Zing het uit, hemel, want de HEER heeft dit tot stand gebracht! Juich, diepten van de aarde! Berg en bos met al je bomen, breek los in gejubel! Want de HEER heeft Jakob vrijgekocht en in Israël openbaart hij zijn glorie.
Dit zegt de HEER, je bevrijder, die je al vanaf de moederschoot heeft gevormd: ik ben de HEER, de maker van alles, die eigenhandig de hemel heeft opengespannen en helemaal alleen de aarde heeft uitgerold; wie stond mij daarbij ter zijde? Hij verijdelt de voortekenen van de bedriegers en maakt de wichelaars belachelijk, hij drijft de wijzen in het nauw en laat hun kennis op dwaasheid uitlopen; hij bekrachtigt het woord van zijn dienaar en brengt de aankondiging van zijn boden ten uitvoer. Over Jeruzalem zegt hij dat ze weer bewoond zal zijn en over de steden van Juda dat ze worden opgebouwd; hun ruïnes zal ik weer overeind zetten. Hij is het die tegen de watervloed zegt: “Droog op, ik laat je stromen verdwijnen”; en die over Kores zegt: “Hij is mijn herder, en al wat ik verlang zal hij volbrengen”; hij zegt over Jeruzalem dat het herbouwd zal worden en over de tempel dat het fundament ervan gelegd zal worden.