Hoofdstuk
Jesaja 47
Kom naar beneden en neem plaats in het stof, ongerepte dochter Babel; ga op de kale grond zitten, nu je geen troon meer hebt, dochter van de Chaldeeën. Nooit meer zal men je bestempelen als het tere en verwende meisje. Pak de handmolen en maal het meel; schuif je sluier opzij, til je rok omhoog, ontbloot je benen en trek door de rivieren heen. Je naakte lichaam komt bloot te liggen en ook je schaamte zal voor iedereen zichtbaar zijn. Ik zal wraak nemen en daarbij niemand sparen. Onze bevrijder draagt de naam: de HEER van de hemelse legermachten, de Heilige van Israël.
Ga zwijgend zitten en verdwijn in de duisternis, dochter van de Chaldeeën; want nooit meer zal men je de gebiedster van de koninkrijken noemen. Ik was in woede ontstoken tegen mijn volk, ik ontwijdde mijn erfbezit en leverde het aan jou over. Maar jij betoonde hun geen greintje mededogen; zelfs de oude man liet je gebukt gaan onder je loodzware juk. Je verklaarde: “Ik zal voor eeuwig de gebiedster blijven,” en daardoor nam je dit alles niet ter harte en dacht je niet aan de afloop.
Luister daarom nu, jij genotzuchtige die zo zorgeloos woont en bij jezelf denkt: “Ik ben de enige en er is niemand anders; ik zal nooit als weduwe achterblijven en het verlies van kinderen zal ik niet meemaken.” Toch zullen beide je juist overkomen, in een oogwenk, op één en dezelfde dag: het verlies van je kinderen en je weduwschap. In hun volle zwaarte komen ze over je heen, in weerwil van al je toverij en de enorme kracht van je bezweringen. Je stelde je vertrouwen op je eigen kwaad en dacht dat niemand je zag. Het waren je eigen wijsheid en kennis die je deden afdwalen, waardoor je in gedachten bleef volhouden: “Alleen ik besta, verder niemand.” Daarom valt er onheil over je dat je met geen bezwering kunt afwenden, breekt er een ramp over je los die je niet kunt afkopen, en overvalt je opeens een verwoesting waarop je niet was voorbereid.
Blijf dan maar volhouden met je bezweringen en met de talloze toverkunsten waar je je van kinds af aan mee hebt afgesloofd; misschien heb je er baat bij, misschien boezem je er ontzag mee in. Al die adviezen hebben je alleen maar uitgeput. Laten ze nu maar opstaan om je te redden, die hemelduiders en sterrenwichelaars die bij elke nieuwe maan voorspellen wat er met je gaat gebeuren. Kijk, ze zijn niet meer dan dorre stoppels die door het vuur worden verteerd; zichzelf kunnen ze niet uit de greep van de vlammen redden. Dit is geen gloed om je aan te warmen, geen haardvuur om bij te gaan zitten. Zo vergaat het al die lieden voor wie je je hebt afgebeuld, je handelspartners van je jeugd af aan; ieder van hen slaat zijn eigen richting in en dwaalt weg, en niemand komt je te hulp.