Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Leviticus 7

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hier volgt het voorschrift voor het schuldoffer; allerheiligst is het. Waar men het brandoffer slacht, slacht men ook het schuldoffer, en het bloed gooit men rondom tegen het altaar. Alle vet ervan wordt opgedragen: de vetstaart, het vet dat over de ingewanden ligt, de beide nieren met het omringende vet bij de lendenen, en de leverkwab, die men met de nieren verwijdert. Op het altaar laat de priester dat in rook opgaan als vuuroffer voor de HEER; een schuldoffer is het. Alle mannen onder de priesters mogen ervan eten, op een heilige plaats; het is allerheiligst. Eén en dezelfde regel geldt voor het zondoffer en het schuldoffer: aan de priester die er de verzoening mee voltrekt, komt het toe. Draagt een priester iemands brandoffer op, dan mag hij de huid van het dier dat hij bracht voor zichzelf houden. Elk graanoffer dat men in de oven bakt of in de pan dan wel op de bakplaat bereidt, is voor de priester die het aanbiedt. Maar elk graanoffer, of het nu met olie is aangemaakt of droog blijft, hoort aan alle zonen van Aäron toe, aan de een net zoveel als aan de ander.

En hier volgt het voorschrift voor het vredeoffer dat men de HEER aanbiedt. Brengt iemand het als dankbetuiging, dan voegt hij bij dat dankoffer ongezuurde koeken met olie aangemaakt, dunne ongezuurde vladen met olie ingesmeerd en koeken van goed doorgekneed meel met olie vermengd. Naast die koeken draagt hij bij zijn dankvredeoffer ook gezuurd brood als gave op. Van elke soort zondert hij één stuk af als heffing voor de HEER; het komt de priester toe die bij het vredeoffer het bloed tegen het altaar sprenkelt. Het vlees van het dankvredeoffer moet nog op de dag van aanbieding worden gegeten; tot de volgende ochtend mag er niets van blijven liggen. Betreft het echter een offer uit gelofte of een spontane gave, dan eet men het op de dag van aanbieding, en wat rest mag ook daags erna nog worden genuttigd. Maar wat op de derde dag nog aan offervlees rest, gaat in het vuur op. Eet men op die derde dag toch van het vlees van het vredeoffer, dan wordt het niet aanvaard en wordt het de aanbieder niet toegerekend; bedorven is het, en wie ervan eet, draagt de gevolgen van zijn schuld. Vlees dat met iets onreins in aanraking is geweest, mag niemand eten; het gaat in het vuur op. Wie rein is, mag verder wel van dit vlees eten, maar iemand die in staat van onreinheid van dat aan de HEER toebehorende vredeoffervlees eet, wordt uit zijn volksgemeenschap weggesneden. En raakt iemand iets onreins aan, of het nu menselijke onreinheid is, een onrein dier of welk weerzinwekkend en onrein schepsel ook, en eet hij toch van het vredeoffervlees dat de HEER toekomt, dan wordt zo iemand uit zijn volk weggesneden.”

De HEER richtte zich tot Mozes: “Zeg tegen de Israëlieten: van een rund, een schaap of een geit mogen jullie geen greintje vet eten. Het vet van een gestorven of verscheurd dier is voor allerlei doeleinden bruikbaar, maar eten mogen jullie het in geen geval. Wie namelijk vet eet van een dier waarvan men de HEER een vuuroffer brengt, zo iemand wordt uit zijn volk weggesneden. Waar jullie ook wonen, geen druppel bloed mag je nuttigen, niet van gevogelte en niet van vee. Ieder die welk bloed dan ook nuttigt, wordt uit zijn volk weggesneden.”

De HEER richtte zich tot Mozes: “Zeg tegen de Israëlieten: wie de HEER een vredeoffer brengt, moet daaruit zelf een deel als zijn gave bij de HEER aandragen. Eigenhandig brengt hij de vuuroffers van de HEER; het vet samen met het borststuk draagt hij aan, en dat borststuk beweegt hij heen en weer voor de HEER als aanbiedingsgebaar. De priester laat het vet op het altaar in rook opgaan, maar het borststuk is bestemd voor Aäron en zijn zonen. De rechterachterbout uit jullie vredeoffers staan jullie als heffing af aan de priester. Aan die zoon van Aäron die het bloed en het vet van de vredeoffers opdraagt, valt de rechterachterbout als aandeel toe. Want het bewogen borststuk en de geheven achterbout haal ik weg uit de vredeoffers van de Israëlieten; aan de priester Aäron en aan zijn zonen wijs ik ze toe, als een recht dat het volk hun voorgoed verschuldigd is.” Dit is wat Aäron en zijn zonen toevalt uit de vuuroffers van de HEER, gerekend vanaf de dag dat men hen naar voren liet treden om de HEER als priester te dienen. Op de dag dat hij hen zalfde, gaf de HEER het bevel dat de Israëlieten hun dit moesten geven; van geslacht op geslacht blijft het een vast recht.

Zo luiden de bepalingen rond brandoffer en graanoffer, zondoffer en schuldoffer, wijdingsoffer en vredeoffer, die de HEER Mozes op de berg Sinaï gaf, op de dag dat hij de Israëlieten opdroeg hun offergaven bij de HEER te brengen, daar in de woestijn van Sinaï.

← Leviticus 6Leviticus 8 →