Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Lucas 11

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Eens bad hij op een bepaalde plaats. Toen hij klaar was, vroeg een van zijn leerlingen: “Heer, leer ons bidden, net zoals Johannes zijn leerlingen leerde.” Hij antwoordde: “Bid dan zo: Vader, laat uw naam geheiligd worden en uw koninkrijk komen. Geef ons dag aan dag het brood dat we nodig hebben. Vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven ieder die bij ons in de schuld staat. En stel ons niet op de proef.”

Toen zei hij tegen hen: “Stel, iemand van jullie klopt midden in de nacht bij een vriend aan met de vraag: vriend, help me aan drie broden, want er is onverwacht een vriend van me op doorreis langsgekomen en ik heb niets in huis om hem aan te bieden. En stel dat de ander van binnen terugroept: val me niet lastig. De deur zit al op slot en de kinderen liggen bij me in bed; ik sta niet meer op om je iets te geven. Ik zeg jullie: al staat hij niet op om het hem uit vriendschap te geven, hij zal toch opstaan vanwege zijn schaamteloze volharding en hem alles geven wat hij nodig heeft. En ik zeg jullie: vraag, en er zal jullie gegeven worden; zoek, en jullie zullen het vinden; klop, en er zal voor jullie worden opengedaan. Want ieder die vraagt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en voor wie klopt, wordt opengedaan. Welke vader onder jullie geeft zijn zoon een slang als die om een vis vraagt? Of een schorpioen als hij om een ei vraagt? Als jullie dus, slecht als jullie zijn, goede gaven weten te geven aan jullie kinderen, hoeveel te meer zal de Vader uit de hemel dan de heilige Geest geven aan wie het hem vragen.”

Eens dreef hij een demon uit die iemand sprakeloos maakte. Zodra de demon eruit was, kon de stomme spreken, en de menigte stond verbaasd. Maar sommigen zeiden: “Met hulp van Beëlzebul, de heerser over de demonen, drijft hij ze uit.” Weer anderen stelden hem op de proef door een teken uit de hemel van hem te eisen. Maar hij doorzag hun gedachten: “Elk koninkrijk dat met zichzelf overhoop ligt, wordt een puinhoop, en het ene huis stort op het andere. Als ook de satan met zichzelf overhoop ligt, hoe houdt zijn koninkrijk dan stand? Jullie beweren immers dat ik met hulp van Beëlzebul de demonen uitdrijf. Maar als ík door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven jullie zonen ze dan uit? Daarom zullen zíj jullie rechters zijn. Maar als ik door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan heeft het koninkrijk van God jullie bereikt. Bewaakt een sterke man zwaargewapend zijn eigen woning, dan blijft zijn have en goed ongemoeid. Maar zodra een sterkere hem overvalt en verslaat, neemt die hem de wapens af waarop hij vertrouwde en verdeelt hij de buit. Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet samen met mij verzamelt, verstrooit.

Wanneer een onreine geest een mens verlaat, zwerft hij door dorre streken op zoek naar rust. Vindt hij die niet, dan zegt hij: ik ga terug naar het huis dat ik verlaten heb. Bij zijn komst treft hij het aangeveegd en netjes op orde. Dan gaat hij zeven andere geesten halen, nog slechter dan hijzelf, en zij trekken erin en gaan daar wonen; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste.”

Terwijl hij dit zei, riep een vrouw uit de menigte hem luid toe: “Gelukkig de moederschoot die u droeg en de borst waaraan u dronk.” Maar hij zei: “Gelukkiger nog zijn zij die Gods woord horen en het bewaren.”

Toen de menigten alsmaar aangroeiden, begon hij te zeggen: “Dit is een verdorven geslacht. Het vraagt om een teken, maar het krijgt geen ander teken dan dat van Jona. Want zoals Jona een teken werd voor de inwoners van Nineve, zo zal de Mensenzoon dat zijn voor dit geslacht. De koningin van het Zuiden zal bij het oordeel opstaan met de mannen van dit geslacht en hen veroordelen; want zíj kwam van de uiteinden van de aarde om naar de wijsheid van Salomo te luisteren, en kijk, hier is meer dan Salomo. De mannen van Nineve zullen bij het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen; want zíj kwamen tot inkeer door de verkondiging van Jona, en kijk, hier is meer dan Jona.

Niemand steekt een lamp aan om die in een kelder te zetten of onder een korenmaat; nee, je zet hem op de standaard, zodat wie binnenkomen het licht zien. Je oog is de lamp van je lichaam. Is je oog helder, dan baadt heel je lichaam in het licht; deugt het niet, dan is je lichaam duister. Zorg er dus voor dat het licht dat in je is, geen duisternis blijkt. Is heel je lichaam verlicht, zonder één donkere plek, dan is het geheel zo helder als wanneer een lamp je met zijn schijnsel bestraalt.”

Toen hij uitgesproken was, nodigde een farizeeër hem uit om bij hem te eten. Hij ging naar binnen en schoof aan. De farizeeër verbaasde zich dat hij zich niet eerst voor de maaltijd waste. Maar de Heer zei: “Jullie farizeeën maken de buitenkant van beker en schaal schoon, terwijl jullie vanbinnen vol roofzucht en slechtheid zitten. Dwazen! Heeft de maker van de buitenkant niet ook de binnenkant gemaakt? Geef liever de inhoud als gift aan de armen, dan is voor jullie alles rein. Maar wee jullie, farizeeën! Wel geven jullie een tiende van munt, wijnruit en allerlei moeskruid, maar het recht en de liefde tot God verwaarlozen jullie. Het een moest je doen zonder het ander te verzuimen. Wee jullie, farizeeën, want jullie zijn dol op de ereplaats in de synagogen en op de begroetingen op de markt. Wee jullie, want jullie lijken op onopvallende graven, waar mensen overheen lopen zonder het te beseffen.” Een van de wetgeleerden wierp tegen: “Meester, door dit te zeggen beledigt u ook ons.” Maar hij zei: “Ook jullie, wetgeleerden, wee jullie, want jullie leggen de mensen ondraaglijke lasten op, maar zelf raken jullie die lasten met geen vinger aan. Wee jullie, want jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten die jullie eigen voorouders hebben gedood. Zo bevestigen jullie de daden van je voorouders en stemmen ermee in: zij doodden hen, en jullie bouwen de graven. Daarom heeft ook Gods wijsheid gezegd: ik zal profeten en apostelen naar hen sturen, en sommigen van hen zullen ze doden en vervolgen, zodat aan dit geslacht het bloed van alle profeten wordt afgerekend dat sinds de grondlegging van de wereld vergoten is, vanaf Abel tot aan Zacharias toe, die is gedood tussen het brandofferaltaar en het heiligdom. Ja, zeg ik jullie, aan dit geslacht wordt het afgerekend. Wee jullie, wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen. Zelf zijn jullie niet naar binnen gegaan, en wie dat wel wilden hebben jullie tegengehouden.” Toen hij daar wegging, begonnen de schriftgeleerden en de farizeeën hem fel aan te vallen en met vragen te bestoken over van alles, loerend op een uitspraak van hem waarop ze hem konden vangen.

← Lucas 10Lucas 12 →