Hoofdstuk
Lucas 6
Toen hij eens op een sabbat tussen de korenvelden door liep, plukten zijn leerlingen aren, wreven die stuk in hun handen en aten ze op. Een paar farizeeën merkten op: “Waarom doen jullie wat op de sabbat niet is toegestaan?” Jezus gaf hun ten antwoord: “Hebben jullie niet gelezen wat David deed toen hij honger kreeg, hij met zijn mannen? Hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam en at, en ze ook aan zijn mannen gaf, terwijl alleen de priesters die mogen eten?” En hij besloot: “De Mensenzoon is heer over de sabbat.”
Op een andere sabbat ging hij de synagoge in om les te geven. Er was daar iemand van wie de rechterhand verdord was. De schriftgeleerden en farizeeën letten scherp op of hij op de sabbat iemand zou genezen, want dan hadden ze een grond om hem aan te klagen. Maar hij wist wat er in hen omging en zei tegen de man met de verdorde hand: “Sta op, kom hier vooraan staan.” De man richtte zich op en bleef staan. Toen zei Jezus: “Ik leg jullie een vraag voor: mag je op de sabbat goed doen of kwaad, een leven redden of het vernietigen?” Hij liet zijn blik over hen allen gaan en zei tegen de man: “Strek je hand uit.” Die deed het, en zijn hand was weer gezond. Maar zij ontstaken in woede en beraadslaagden onder elkaar wat ze met Jezus zouden aanvangen.
Rond die tijd ging hij het gebergte in om te bidden, en hij doorwaakte de nacht in gebed tot God. Bij dageraad ontbood hij zijn leerlingen; uit hen koos hij er twaalf, aan wie hij ook de naam apostelen gaf: Simon, die hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartolomeüs, Matteüs en Tomas, Jakobus van Alfeüs, en Simon die de IJveraar heette, Judas van Jakobus, en Judas Iskariot, die de verrader werd.
Met hen daalde hij af en bleef staan op een open plek. Daar was een grote groep van zijn leerlingen en een enorme menigte volk, uit heel Judea, uit Jeruzalem en van de kust bij Tyrus en Sidon, die gekomen waren om naar hem te luisteren en van hun ziekten af te komen. Ook wie gekweld werden door onreine geesten, werden genezen. Iedereen in de menigte deed moeite hem aan te raken, want er stroomde kracht van hem uit die allen genas.
Hij hief zijn ogen op naar zijn leerlingen en sprak: “Gelukkig zijn jullie, armen, want van jullie is het koninkrijk van God. Gelukkig zijn jullie die nu honger lijden, want je zult verzadigd worden. Gelukkig zijn jullie die nu wenen, want je zult lachen. Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen je haten, je uitstoten en beschimpen en je naam als iets kwaads afwijzen, om de Mensenzoon. Verheug je op die dag en spring op van blijdschap, want je loon in de hemel is groot; zo immers deden hun voorouders met de profeten. Maar wee jullie, rijken, want je troost heb je al binnen. Wee jullie die nu volop hebben, want je zult honger lijden. Wee jullie die nu lachen, want je zult rouwen en wenen. Wee jullie wanneer alle mensen goed van je spreken, want zo deden hun voorouders met de valse profeten.
Maar tegen jullie die naar mij luisteren zeg ik: heb je vijanden lief, wees goed voor wie je haten, zegen wie je vervloeken, bid voor wie je slecht behandelen. Slaat iemand je op de ene wang, keer hem ook de andere toe; en pakt iemand je je mantel af, weiger hem ook je hemd niet. Geef aan ieder die je iets vraagt, en van wie het jouwe wegneemt, eis het niet terug. Behandel de mensen zoals jullie zelf behandeld willen worden. Als jullie liefhebben wie jullie liefhebben, wat voor dank verdient dat? Ook zondaars houden van wie van hen houden. En als jullie goed doen aan wie jullie goed doen, wat voor dank verdient dat? Zondaars doen precies hetzelfde. Lenen jullie alleen aan mensen van wie je teruggave verwacht, wat voor dank verdient dat? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te krijgen. Nee, heb je vijanden lief, doe goed en leen uit zonder op iets terug te rekenen. Dan is je loon groot en zul je kinderen van de Allerhoogste zijn, want hij is goedgunstig voor ondankbaren en slechten. Toon je barmhartig, zoals ook jullie Vader barmhartig is.
Spreek geen oordeel uit, en over jullie wordt niet geoordeeld. Veroordeel niet, en je wordt niet veroordeeld. Scheld kwijt, en je wordt kwijtgescholden. Geef, en je krijgt: een royale maat, aangedrukt, geschud en overlopend, wordt je in de schoot gelegd. Want met de maat waarmee jullie meten, wordt jullie teruggemeten.” Hij hield hun ook dit beeld voor: “Kan de ene blinde de weg wijzen aan de andere? Belanden ze niet allebei in een kuil? Een leerling overtreft zijn leermeester niet; wie volleerd is, wordt zoals zijn leermeester. Waarom zie je de splinter in het oog van je broer, terwijl de balk in je eigen oog je ontgaat? Hoe kun je je broer voorstellen: laat mij die splinter uit je oog halen, terwijl je de balk in je eigen oog niet eens opmerkt? Schijnheilige, verwijder eerst de balk uit je eigen oog; dan zie je scherp genoeg om de splinter uit dat van je broer te halen.
Er bestaat geen goede boom die slechte vruchten geeft, en evenmin een slechte boom die goede vruchten geeft. Elke boom ken je aan zijn eigen vrucht. Vijgen haal je niet van een doornstruik, en druiven pluk je niet van een braamstruik. Een goed mens brengt het goede voort uit de goede voorraad van zijn hart, en een slecht mens brengt het slechte voort uit het slechte. Want waar het hart vol van is, daarvan loopt de mond over.
Waarom roepen jullie mij aan met ‘Heer, Heer’ en doen jullie niet wat ik zeg? Wie bij mij komt en mijn woorden hoort en ernaar leeft: ik zal jullie duidelijk maken op wie zo iemand lijkt. Hij is als iemand die bij de bouw van zijn huis diep uitgroef en de grondslag op de rots legde. Kwam er een watervloed en beukte de stroom tegen dat huis, dan bracht die het niet aan het wankelen, zo degelijk was het gebouwd. Maar wie hoort en niet handelt, lijkt op een man die zijn huis zonder fundament zomaar op de grond bouwde. Toen het water ertegen beukte, stortte het meteen in, en de ravage van dat huis was groot.”