Hoofdstuk
Matteüs 4
Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn gebracht, om door de duivel op de proef gesteld te worden. Hij vastte veertig dagen en veertig nachten, en daarna kreeg hij honger. De beproever kwam op hem af en zei: “Als u de Zoon van God bent, zeg dan dat deze stenen brood worden.” Maar hij antwoordde: “Er staat geschreven: De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.” Toen neemt de duivel hem mee naar de heilige stad. Hij zet hem op de rand van het tempeldak en zegt tegen hem: “Als u de Zoon van God bent, gooi uzelf dan naar beneden. Want er staat geschreven: Hij zal zijn engelen bevel geven over jou, en zij zullen je op hun handen dragen, zodat je met je voet niet tegen een steen stoot.” Jezus zei tegen hem: “Er staat óók geschreven: Je mag de HEER, je God, niet op de proef stellen.” Opnieuw neemt de duivel hem mee, naar een heel hoge berg, en hij laat hem alle koninkrijken van de wereld zien, met hun glorie, en hij zegt tegen hem: “Dit alles zal ik u geven, als u neervalt en mij aanbidt.” Toen zegt Jezus tegen hem: “Weg, Satan! Er staat immers geschreven: De HEER, je God, moet je aanbidden en hem alleen dienen.” Toen laat de duivel hem met rust, en kijk, er kwamen engelen naar hem toe, en zij dienden hem.
Toen hij hoorde dat Johannes overgeleverd was, week hij uit naar Galilea. Hij verliet Nazaret en ging wonen in Kafarnaüm aan het meer, in het gebied van Zebulon en Naftali, zodat in vervulling ging wat door de profeet Jesaja gezegd is: Land van Zebulon en land van Naftali, de weg langs de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de volken: het volk dat in duisternis zit, heeft een groot licht gezien, en voor wie zitten in het land en de schaduw van de dood, voor hen is een licht opgegaan. Vanaf toen begon Jezus te verkondigen en te zeggen: “Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is dichtbij gekomen.”
Terwijl hij langs het meer van Galilea wandelde, zag hij twee broers, Simon, die ook Petrus genoemd wordt, en Andreas, zijn broer, een werpnet uitgooien in het meer; zij waren namelijk vissers. Hij zegt tegen hen: “Kom, achter mij aan, en ik zal jullie vissers van mensen maken.” Zij lieten meteen hun netten liggen en volgden hem. Toen hij verder ging, zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer; zij waren in de boot met hun vader Zebedeüs hun netten aan het herstellen. Hij riep hen, en zij lieten meteen de boot en hun vader achter en volgden hem.
Hij trok heel Galilea door. Hij onderwees in hun synagogen, bracht het goede nieuws van het koninkrijk en genas onder het volk iedere ziekte en iedere kwaal. Zijn naam ging door heel Syrië. Men bracht allen naar hem toe die er slecht aan toe waren, in de greep van allerlei ziekten en kwellingen: bezetenen, maanzieken en verlamden, en hij genas hen. Grote menigten volgden hem, uit Galilea en de Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea en van over de Jordaan.