Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Nahum 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

De verwoester rukt tegen je op; bewaak de vesting, houd de weg in het oog, gord je lenden en verzamel al je kracht! Want de HEER geeft Jakob zijn trots terug en Israël zijn glans, ook al hebben verwoesters hen leeggeroofd en hun wijnranken vernietigd.

Rood is het schild van zijn helden, in scharlaken gaan zijn krijgers; als vuur schitteren de strijdwagens op de dag dat hij zich opmaakt, en de lansen worden gezwaaid. Over de straten razen de wagens en jagen heen en weer over de pleinen; ze zien eruit als brandende fakkels en schieten voort als bliksemflitsen. Hij roept zijn keurtroepen op; struikelend haasten zij zich, snellen op de muur af, en het stormdak wordt opgericht. De rivierpoorten worden opengebroken en het paleis wankelt en stort in.

Het staat vast: zij wordt ontkleed en weggevoerd, terwijl haar slavinnen kirren als duiven en zich op de borst slaan. Als een watervijver was Nineve sinds mensenheugenis, maar nu stromen zij weg. “Halt, halt!” roept men, maar niemand kijkt om. Rooft het zilver, rooft het goud! Onuitputtelijk is de voorraad, een overvloed aan alle kostbaarheden. Verwoest, uitgeplunderd en leeg! Het hart bezwijkt, de knieën knikken, een siddering vaart door alle lendenen en alle gezichten trekken bleek weg.

Waar is nu het leeuwenhol, het weideveld van de jonge leeuwen, waar de leeuw en de leeuwin met haar welp rondliepen zonder dat iemand hen opschrikte? De leeuw verscheurde genoeg voor zijn welpen en wurgde prooi voor zijn leeuwinnen; hij vulde zijn holen met buit en zijn schuilplaatsen met wat hij had verscheurd. Zie, ik keer mij tegen je, luidt het woord van de HEER van de hemelse legermachten: ik laat je wagens in rook opgaan, het zwaard verslindt je jonge leeuwen, ik roei je roofbuit van de aarde uit, en de stem van je gezanten zal niet meer klinken.

← Nahum 1Nahum 3 →