Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Prediker 6

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Er is een kwaad dat ik onder de zon heb gezien en dat als een last op de mensen drukt:

iemand aan wie God rijkdom, bezit en aanzien verleent, zodat hem niets ontbreekt van al wat hij verlangt, maar aan wie God niet de kans geeft ervan te genieten, terwijl een vreemde het opmaakt. Dat is vluchtig en een bittere ellende.

Al brengt een mens honderd kinderen voort en leeft hij talloze jaren, zodat zijn levensdagen zich eindeloos opstapelen, maar krijgt hij van het goede nooit zijn deel en wordt hem zelfs geen begrafenis gegund, dan houd ik vol: een misgeboorte is beter af dan hij.

Want vergeefs kwam zo’n misgeboorte ter wereld, in het donker verdwijnt het weer, en onder het donker raakt zijn naam bedolven.

Het heeft de zon nooit gezien en heeft van niets geweten, en toch heeft het meer vrede dan die ander.

Zelfs al zou iemand tweeduizend jaar leven zonder het goede te proeven, gaat niet iedereen naar één en dezelfde bestemming?

Alles waarvoor een mens zich afmat verdwijnt in zijn mond, en toch blijft zijn verlangen onvervuld.

Want wat heeft de wijze eigenlijk vóór op de dwaas? Wat wint de arme ermee dat hij zich onder de levenden weet te redden?

Wat de ogen voor zich hebben is meer waard dan een rondzwervend verlangen. Ook dat is vluchtig, een grijpen naar wind.

Alles wat bestaat heeft allang een naam gekregen, en het staat vast dat hij niet meer dan een mens is;
met wie sterker is dan hij kan hij het niet aan de stok krijgen.

Hoe meer woorden er vallen, des te meer vluchtigheid;
wat wint een mens daarbij?

Wie weet immers wat een mens tijdens zijn leven ten goede komt, in de schaarse, vluchtige dagen die hij als een schaduw slijt? En wie kan hem vertellen wat er onder de zon na zijn tijd zal gebeuren?

← Prediker 5Prediker 7 →