Woordanker leesuitgave ‹ ›

Psalm

Psalm 49

Voor de koorleider. Van de zonen van Korach. Een psalm.

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hoor toe, alle naties, spits de oren, jullie allen die de aardbodem bevolken,

geringen zowel als vooraanstaanden, rijk en arm door elkaar.

Uit mijn mond komt wijsheid, en wat mijn hart overweegt schenkt inzicht.

Ik spits mijn oor voor een spreuk, en bij de klank van de lier onthul ik mijn raadsel.

Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, wanneer de boosheid van mijn achtervolgers mij omsingelt,

hen die op hun bezit steunen en zich beroemen op hun grote rijkdom?

Toch kan geen mens een ander loskopen of aan God een losgeld voor hem voldoen;

de prijs voor een mensenleven is te hoog, voorgoed schiet elk bedrag tekort,

zodat niemand voor altijd kan blijven leven en de grafkuil ontloopt.

Want men ziet hoe wijzen sterven, hoe dwaas en onnadenkende gelijkelijk ten onder gaan en hun bezit voor anderen achterlaten.

Diep in zichzelf wanen zij hun huizen eeuwig en hun woonsteden bestemd voor alle komende geslachten;
zij vernoemen hele streken naar zichzelf.

Maar in al zijn praal blijft een mens niet bestaan;
hij lijkt op het vee dat wordt afgemaakt.

Zo vergaat het wie op zichzelf bouwen, en wie hen naspreken met instemming. Sela

Als een kudde schapen belanden zij in het dodenrijk, met de dood als hun herder;
wanneer de morgen aanbreekt, krijgen de oprechten de macht over hen, terwijl hun gedaante wegkwijnt in het dodenrijk, verwijderd van hun huis.

Maar mijn leven zal God bevrijden uit de klauw van het dodenrijk, want hij zal mij bij zich opnemen. Sela

Laat je niet van streek brengen als iemand rijk wordt, als de pracht van zijn huis steeds groter wordt.

Want als hij sterft, neemt hij daar niets van mee;
zijn rijkdom volgt hem niet het graf in.

Al noemde hij zich bij zijn leven gelukkig, en al krijgt men lof wanneer men zichzelf verwent,

toch belandt hij bij het voorgeslacht, dat het licht nooit meer te zien krijgt.

Een mens met aanzien maar zonder inzicht lijkt op het vee dat wordt afgemaakt.

← Psalm 48Psalm 50 →