Psalm
Psalm 95
Kom, laten we het uitjubelen voor de HEER en juichen voor de rots die ons redt.
Laten we hem met dankliederen tegemoet treden en hem met gezang begroeten.
Want de HEER is een verheven God, een machtig koning die alle goden overtreft.
De diepste schuilhoeken van de aarde houdt hij in zijn hand, en ook de bergtoppen behoren hem toe.
Hem behoort de zee, die hij heeft gemaakt, en het droge land dat zijn handen boetseerden.
Kom, laten we ons neerwerpen en knielen, laten we buigen voor de HEER, onze maker.
Want hij is onze God, en wij zijn het volk dat hij weidt, de kudde die zijn hand behoedt. Als jullie vandaag maar naar zijn stem wilden luisteren:
“Laat je hart niet verstarren als destijds bij het water van Meriba, als op die dag te Massa in de wildernis,
waar jullie voorouders mij tartten en op de proef stelden, hoewel zij mijn daden hadden gezien.
Veertig jaar lang stond dat geslacht mij tegen, en ik zei: ‘Dit is een volk dat in zijn hart afdwaalt en mijn wegen niet heeft leren kennen.’
Daarom heb ik in mijn toorn gezworen: ‘Mijn rustplaats zullen zij nooit betreden.’”