Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Romeinen 15

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Wie van ons sterk staan, horen de kwetsbaarheden van wie zwak zijn op te vangen en niet ons eigen genoegen voorop te stellen. Laat ieder van ons erop uit zijn de naaste welgezind te dienen, tot diens welzijn en opbouw. Ook de Gezalfde heeft immers niet zijn eigen genoegen gezocht, maar met hem ging in vervulling wat geschreven staat: “De hoon van wie u honen, is op mij neergekomen.” Want al wat vroeger is opgetekend, werd opgetekend om ons te onderrichten, zodat wij uit de volharding en de bemoediging van de Schriften onze hoop zouden putten. Moge de God van wie alle volharding en bemoediging komt jullie schenken dat je onderling één van zin bent, in de lijn van de Gezalfde Jezus, zodat jullie eensgezind, uit één mond, lof brengen aan de God en Vader van onze Heer Jezus de Gezalfde.

Aanvaard elkaar daarom, net zoals de Gezalfde jullie heeft opgenomen, God tot eer. Ik bedoel dit: de Gezalfde is dienaar van de besnedenen geworden, om te tonen dat God trouw is en om de beloften aan de aartsvaders te bekrachtigen, en dat de volken God zouden loven om zijn ontferming. Zo staat er geschreven: “Daarom zal ik u prijzen onder de volken en voor uw naam een lied zingen.” En ergens anders klinkt het: “Wees blij, volken, samen met zijn volk.” Elders weer: “Loof de HEER, alle volken, laat alle naties hem prijzen.” Jesaja op zijn beurt zegt: “Opkomen zal de wortel van Isaï, hij die zich verheft om over de volken te regeren; op hem zullen de volken hun verwachting stellen.” Moge de God die onze hoop is jullie tot de rand toe vervullen met vreugde en vrede in het geloven, zodat jullie hoop overstroomt door de kracht van de heilige Geest.

Zelf ben ik er van mijn kant van overtuigd, broeders en zusters, dat jullie zelf overvloeien van goedheid, doortrokken zijn van alle kennis en heel goed bij machte zijn elkaar terecht te wijzen. Toch heb ik jullie op sommige punten nogal vrijmoedig geschreven, om het bij jullie weer op te frissen, en dat vanwege de genade die God mij verleend heeft: dat ik namelijk een dienaar van de Gezalfde Jezus mag zijn voor de volken. Als een priester bedien ik het evangelie van God, zodat de volken een offer worden dat welkom is, geheiligd door de heilige Geest. In de Gezalfde Jezus mag ik me dan ook beroemen op mijn werk voor God. Want ik zal mij niet verstouten over iets anders te spreken dan wat de Gezalfde door mij verricht heeft om de volken tot gehoorzaamheid te brengen, in woord en in daad, met machtige tekenen en wonderen, in de kracht van Gods Geest. Zo heb ik, vanaf Jeruzalem en in een wijde boog tot aan Illyrië, het evangelie van de Gezalfde overal ten volle gebracht. En daarbij heb ik er mijn eer in gesteld dat evangelie juist niet te verkondigen waar de Gezalfde al bekend was, om niet op een fundament van een ander te bouwen, maar om te doen wat geschreven staat: “Wie geen bericht over hem ontvingen, zullen hem zien, en wie niets hoorden, zullen tot inzicht komen.”

Dat is ook de reden dat ik keer op keer werd tegengehouden om naar jullie toe te komen. Maar nu ik in deze streken geen werkterrein meer overhoud, en ik al zoveel jaren ernaar uitzie bij jullie te komen, hoop ik jullie te bezoeken zodra ik naar Spanje reis. Ik reken erop dat ik jullie onderweg zal zien en dat jullie mij daarheen op weg helpen, wanneer ik eerst een tijdje van jullie gezelschap heb genoten. Voorlopig echter ben ik op weg naar Jeruzalem, om de heiligen daar van dienst te zijn. Macedonië en Achaje hebben namelijk graag een bijdrage bijeengebracht voor de armen onder de heiligen in Jeruzalem. Graag deden zij dat, en ze staan ook bij hen in het krijt: als de volken hebben mogen delen in hun geestelijke goederen, dan zijn zij ook gehouden hen met stoffelijke zaken bij te staan. Zodra ik dit heb afgerond en hun de opbrengst goed en wel heb toevertrouwd, zal ik via jullie naar Spanje doorreizen. En ik weet: kom ik bij jullie, dan zal dat gebeuren in de volle rijkdom van de zegen van de Gezalfde.

Verder doe ik een dringend beroep op jullie, broeders en zusters, omwille van onze Heer Jezus de Gezalfde en van de liefde die de Geest wekt. Sta mij bij in de strijd door in jullie gebeden voor mij bij God te pleiten, dat ik gespaard blijf voor de ongehoorzamen in Judea, en dat de hulp die ik naar Jeruzalem breng door de heiligen goed wordt ontvangen, zodat ik, als God het wil, met blijdschap bij jullie kom en samen met jullie op adem mag komen. De God die vrede geeft zij met jullie allen. Amen.

← Romeinen 14Romeinen 16 →