Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Sefanja 3

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Wee de weerspannige, bezoedelde stad, die anderen onderdrukt! Naar geen enkele stem heeft zij willen luisteren, geen terechtwijzing heeft zij ter harte genomen; op de HEER stelde zij haar vertrouwen niet en tot haar God kwam zij niet naderbij. Haar bestuurders daarbinnen zijn als brullende leeuwen, haar rechters als wolven in de schemering die tegen de ochtend geen kluif meer overlaten. Roekeloos zijn haar profeten, mannen die niet te vertrouwen zijn; haar priesters bezoedelen wat heilig is en verkrachten de onderwijzing.

De HEER daarentegen is rechtvaardig in haar midden en pleegt geen onrecht; morgen aan morgen brengt hij zijn recht aan het licht en blijft daarmee niet in gebreke, maar wie verkeerd handelt kent geen schaamte. Volken heb ik uitgeroeid en hun torens liggen in puin; hun straten heb ik verwoest zodat niemand er nog overheen gaat, en hun steden zijn zo vernield dat er geen mens, geen enkele bewoner meer is. Ik dacht: “Nu zul je toch wel ontzag voor mij hebben en vermaning aannemen,” dan zou haar woonplaats niet worden weggevaagd, hoe streng ik haar ook gestraft had. Maar juist zij stonden vroeg op om al hun daden te verderven. Blijf daarom op mij wachten, luidt het woord van de HEER, tot de dag waarop ik als aanklager zal opstaan. Mijn besluit staat namelijk vast: ik roep volken samen en breng koninkrijken bijeen om over hen mijn woede uit te gieten, heel mijn ziedende toorn, want door het vuur van mijn hartstocht wordt heel de aarde verteerd.

Dan geef ik de volken reine lippen, zodat zij eendrachtig de naam van de HEER zullen aanroepen en hem schouder aan schouder dienen. Van gene zijde van de rivieren van Kus zullen zij die mij vereren, mijn verstrooide aanhang, mij een offergave komen brengen. Op die dag hoef je je niet langer te schamen over al de daden waarmee je tegen mij in verzet kwam, want dan verwijder ik uit jouw midden je uitbundig hoogmoedigen, en op mijn heilige berg zul je je nooit meer verheffen. Een volk dat nederig en gering is laat ik bij je achterblijven, en zij zullen bij de naam van de HEER een toevlucht zoeken. Wie er van Israël overblijft zal geen onrecht bedrijven en geen leugen uitspreken; in hun mond is geen bedrieglijke tong te vinden. Rustig zullen zij weiden en neerliggen, en niemand die hen opjaagt.

Zing het uit, dochter Sion! Juich luid, Israël! Wees blij en jubel met heel je hart, dochter Jeruzalem! De HEER heeft de vonnissen tegen je ingetrokken en je vijand op de vlucht gejaagd. De koning van Israël, de HEER zelf, verblijft in je midden; onheil hoef je niet meer te duchten. Op die dag zal er tegen Jeruzalem gezegd worden: “Wees niet bang, Sion, laat je handen niet moedeloos zakken!” De HEER, je God, is bij je, een held die redding brengt. Verheugd zal hij zich over je verblijden, in zijn liefde zal hij zwijgen, met gejuich zal hij over je jubelen.

Wie treuren omdat zij de feesttijd moeten missen, breng ik weer samen; uit jou zijn zij voortgekomen, en de smaad drukte als een last op hen. Let op, in die tijd reken ik af met allen die jou verdrukten; het kreupele zal ik verlossen en het verstrooide bijeenhalen. Ik maak hen tot een sieraad en een goede naam in ieder land waar zij vernedering hadden geleden. Op dat moment zal ik jullie naar huis leiden, juist wanneer ik jullie bijeenbreng; werkelijk, onder alle volken op aarde bezorg ik jullie aanzien en een goede naam, zodra ik voor jullie ogen je lot ten goede heb gekeerd, luidt het woord van de HEER.

← Sefanja 2einde →