Hoofdstuk
Jesaja 14
Want de HEER zal medelijden met Jakob krijgen en Israël opnieuw verkiezen; hij zal hen tot rust laten komen op hun eigen bodem. De vreemdeling zal zich bij hen voegen en aansluiten bij het huis van Jakob. Vreemde volken zullen hen bij de hand nemen en naar hun eigen woonplaats terugbrengen, en op de grond die de HEER hun geeft zullen de Israëlieten die volken als slaven en slavinnen bezitten. Zo maken zij hun gevangenbewaarders tot gevangenen en krijgen zij hun onderdrukkers onder de duim.
En op de dag dat de HEER je verlichting geeft van je pijn, je onrust en de harde dwangarbeid die men je liet verrichten, zul je op de koning van Babel dit spotlied aanheffen: Kijk nu toch hoe de tiran tot stilstand is gekomen, hoe de tirannie is opgehouden! De HEER heeft de knuppel van de goddelozen aan stukken geslagen en de heersersscepter gebroken, de scepter die in razernij volken bleef beuken met slag na slag, die in toorn naties vertrapte met een meedogenloze vervolging. Nu ligt heel de aarde er rustig en stil bij; overal barst men los in gejubel. Zelfs de cipressen zijn verheugd om jou, en ook de ceders van de Libanon zeggen: “Nu jij daar geveld ligt, klimt er niemand meer omhoog om ons om te hakken.”
Diep in het dodenrijk raakt alles om jou in rep en roer, klaar om je bij je aankomst te ontvangen; het port de schimmen op, alle vroegere machthebbers van de aarde, en laat alle koningen van de volken van hun tronen overeind komen. Zij nemen allemaal het woord en spreken tot je: “Ook jij bent nu even machteloos geworden als wij, één van ons ben je nu.” Je hoogmoed is neergestort in het dodenrijk, samen met het getokkel van je harpen; een bed van maden ligt onder je uitgespreid en wormen dienen je tot deken. Wat ben je diep uit de hemel gestort, morgenster, kind van de dageraad! Neergesmakt tegen de grond lig je daar, jij die de volken onder de voet liep! Diep vanbinnen had je gedacht: “Ik klim op tot in de hemel en verhef mijn troon hoog boven de sterren van God; op de berg waar de goden bijeenkomen zal ik zetelen, helemaal in het verre noorden. Ik stijg op tot boven de toppen van de wolken en maak mij aan de Allerhoogste gelijk.” Maar in het dodenrijk word je neergesmeten, tot op de diepste bodem van de put.
Wie je te zien krijgen, blijven naar je staren en nemen je scherp op: “Is dit nu degene die de aarde deed schudden en koninkrijken deed beven, die van de wereld een woestijn maakte, haar steden met de grond gelijkmaakte en zijn gevangenen nooit naar huis liet terugkeren?” Alle koningen van de volken, zonder uitzondering, rusten met eer in hun eigen grafkamer. Maar jij bent ver van je graf weggeslingerd, als een verafschuwde tak, bedolven onder gesneuvelden die door het zwaard zijn doorstoken en afdalen naar de keien van de kuil, als een vertrapt kadaver. Jij zult niet zoals zij een graf krijgen, want je hebt je eigen land geruïneerd en je eigen volk afgeslacht. Van het gebroed van boosdoeners zal voor altijd geen sprake meer zijn. Richt voor zijn zonen een slachtbank op, vanwege de schuld van hun voorouders, zodat zij niet overeind komen om zich de aarde toe te eigenen en de wereld vol te bouwen met hun steden.
Ik zal tegen hen ten strijde trekken, luidt de uitspraak van de HEER van de hemelse legermachten, en van Babel zal ik naam en overblijfsel, kroost en nakomeling wegvagen, aldus de HEER. Ik zal het tot het domein van de egel maken en tot moerassige waterpoelen, en ik zal het wegvegen met de bezem van de vernietiging, luidt de uitspraak van de HEER van de hemelse legermachten.
De HEER van de hemelse legermachten heeft gezworen: “Precies zoals ik het mij heb voorgenomen, zo zal het gaan, en zoals ik het heb beraamd, zo komt het uit: ik zal Assur in mijn eigen land verpletteren en hem op mijn bergen vertrappen; dan zal zijn juk van hen af glijden en zijn last van hun schouder verdwijnen.” Dit is het besluit dat over de hele aarde is genomen, en dit is de hand die over alle volken is uitgestrekt. Want wanneer de HEER van de hemelse legermachten iets besluit, wie kan het dan verijdelen? En wanneer zijn hand is uitgestrekt, wie buigt haar dan terug?
In het jaar dat koning Achaz overleed, kwam deze godsspraak: Wees niet verheugd, heel Filistea, dat de stok die jou trof is gebroken; want uit de wortel van de slang komt een adder tevoorschijn, en haar nakomeling is een vliegende, vurige slang. De allerarmsten zullen dan weiden en de behoeftigen veilig neerliggen, maar jouw wortel laat ik van de honger omkomen, en wie er van jou overblijft, breng ik ter dood. Weeklaag, o poort! Schreeuw het uit, o stad! Beef van angst, heel Filistea! Want uit het noorden komt een rookwolk aandrijven, en in zijn gelederen blijft niemand achterop. Wat moet men de gezanten van dat volk antwoorden? Dat het de HEER is die Sion heeft gevestigd, en dat de verdrukten van zijn volk daar bescherming vinden.