Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 15

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

De godsspraak over Moab. In een enkele nacht wordt Ar overrompeld en gaat Moab ten onder; in een enkele nacht wordt Kir overrompeld en gaat Moab ten onder.

De bevolking klimt naar de tempel, en Dibon naar de offerhoogten, om er te huilen; over Nebo en Medeba weeklaagt Moab. Op elk hoofd is het haar weggeschoren en iedere baard is afgesneden. In de straten hebben zij zich in rouwkleren gehuld; op de daken en op de pleinen jammert iedereen, ondergedompeld in tranen. Chesbon en Eleale schreeuwen het uit, hun stemmen dragen tot aan Jahas. Daarom beven zelfs de gewapende mannen van Moab en huivert Moab tot diep vanbinnen.

Mijn hart schreeuwt het uit om Moab, met zijn vluchtelingen tot bij Soar en Eglat-Selisia. Wenend beklimt men de weg omhoog naar Luchit, en op de weg naar Horonaïm stijgt een noodkreet op om de ondergang. De wateren van Nimrim veranderen in een dorre vlakte; het gras is verwelkt, het groen is verdwenen en er blijft geen halmpje over. Daarom sjouwen zij alles wat zij nog bezitten en bijeengespaard hebben over de Wilgenbeek naar de overkant. Het gejammer trekt rond langs heel de grens van Moab; tot in Eglaïm klinkt zijn geweeklaag, en tot in Beër-Elim reikt het. De wateren van Dimon kleuren rood van het bloed. Toch heb ik voor Dimon nog meer in petto: een leeuw voor de overlevenden van Moab en voor wat er in het land is overgebleven.

← Jesaja 14Jesaja 16 →