Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Micha 7

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Wee mij! Het vergaat mij als na de zomerpluk, als bij de nalezing van de wijnoogst: geen druiventros meer om te eten, geen vroege vijg waarnaar ik hunker. De trouwe is uit het land verdwenen, en onder de mensen is er geen oprechte meer; allen loeren op bloed en jagen elkaar met een net op. Hun handen zijn bedreven in het kwaad: de vorst legt eisen op, de rechter is uit op geld, de machtige spreekt zijn begeerte uit, en samen weven zij het aaneen. Zelfs de deugdzaamste van hen lijkt op een doornstruik, de meest rechtschapene op een stekelheg. Maar de dag die je wachters voorzegden, je dag van afrekening, breekt aan; dan raken zij in verwarring. Vertrouw geen vriend en verlaat je niet op een vertrouweling; wees op je hoede met je woorden, zelfs tegenover wie in je armen ligt. Want de zoon minacht zijn vader, de dochter komt tegen haar moeder in verzet en de schoondochter tegen haar schoonmoeder; iemands vijanden zijn zijn eigen huisgenoten.

Maar ik houd mijn blik op de HEER gericht en wacht op de God die mij redt; mijn God zal mij verhoren. Juich niet over mij, vijandin van mij: ook al kwam ik ten val, toch sta ik weer op; zit ik in duisternis, dan is de HEER mijn licht. De toorn van de HEER wil ik verdragen, want ik heb tegen hem gezondigd, totdat hij mijn zaak bepleit en mij recht doet. Hij zal mij naar het licht voeren, en ik zal zijn gerechtigheid zien. Wanneer mijn vijandin dit ziet, zal schaamte haar overvallen, zij die mij vroeg: “En waar blijft de HEER, jouw God?” Met eigen ogen zie ik hoe zij als slijk op straat vertreden wordt.

Er komt een dag om je muren te herbouwen; op die dag zal je grens ver worden verlegd. Op die dag zal men naar je toe komen, van Assyrië tot de steden van Egypte, van Egypte tot aan de Rivier, van zee tot zee en van berg tot berg. Maar de aarde zal om haar bewoners een woestenij worden, vanwege de vrucht van hun daden.

Hoed uw volk met uw herdersstaf, de kudde die uw erfdeel vormt en die eenzaam in het bos leeft, omringd door een gaarde; laat hen weiden in Basan en Gilead zoals in vroeger dagen. Zoals in de dagen van je uittocht uit Egypte zal ik hem wonderen tonen. De volken zullen het zien en beschaamd staan, hoe machtig zij ook zijn; zij zullen de hand op de mond leggen en hun oren zullen doof worden. Zij zullen stof likken als een slang, als wat over de grond kruipt; sidderend komen zij uit hun burchten, met ontzag naderen zij de HEER, onze God, en beven van vrees voor u.

Wie is een God als u, die de schuld vergeeft en voorbijziet aan de overtreding van de rest van zijn erfdeel? Hij houdt zijn toorn niet voor altijd vast, want hij schept behagen in liefde. Opnieuw zal hij zich over ons ontfermen; hij zal onze schuld vertrappen. Al hun zonden werpt u in de diepten van de zee. U zult trouw betonen aan Jakob en liefde aan Abraham, zoals u het onze voorouders eeuwen geleden hebt gezworen.

← Micha 6einde →