Woordanker leesuitgave ‹ ›

Psalm

Psalm 31

Voor de koorleider; een psalm van David.

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Bij u, HEER, heb ik mijn toevlucht gezocht;
laat mij toch nooit met schaamte staan;
red mij door uw gerechtigheid.

Buig uw oor naar mij toe en kom mij spoedig te hulp;
wees voor mij een beschuttende rots, een vesting die mij uitkomst biedt.

Want mijn rots en mijn vesting bent u;
ter wille van uw naam leidt u mij en wijst u mij de weg.

U bevrijdt mij uit het net dat men heimelijk voor mij heeft opgesteld, want u bent mijn schuilplaats.

In uw hand vertrouw ik mijn geest toe;
u hebt mij vrijgekocht, HEER, God van trouw.

Ik verafschuw wie zich vastklampen aan waardeloze afgoden;
ikzelf stel mijn vertrouwen op de HEER.

Ik wil jubelen en mij verheugen over uw trouw, want u hebt mijn ellende gezien en de nood van mijn ziel gekend.

U hebt mij niet aan de vijand uitgeleverd, maar mijn voeten op ruime grond neergezet.

Wees mij genadig, HEER, want de angst benauwt mij;
van verdriet zijn mijn oog, mijn ziel en mijn lichaam verzwakt.

Mijn leven wordt door droefheid verteerd en mijn jaren door gezucht;
door mijn schuld raakt mijn kracht uitgeput en teert mijn gebeente weg.

Door al mijn belagers ben ik een voorwerp van hoon geworden, voor mijn buren nog het meest, een schrikbeeld voor mijn bekenden;
wie mij op straat ziet, maakt zich uit de voeten.

Als een dode ben ik uit het geheugen verdwenen;
ik ben geworden als een aan scherven geslagen kruik.

Ik verneem immers het gefluister van velen, van alle kanten dreiging, nu zij eendrachtig tegen mij samenspannen en erop uit zijn mij het leven te benemen.

Maar ík stel mijn vertrouwen op u, HEER;
ik zeg: “U bent mijn God.”

In uw hand liggen mijn levensdagen;
ontruk mij aan de greep van mijn vijanden en mijn vervolgers.

Laat uw gelaat over uw dienaar oplichten;
breng mij redding door uw trouw.

Laat mij niet te schande worden, HEER, nu ik u aanroep;
laat het juist de goddelozen zijn die beschaamd worden en verstommen in het dodenrijk.

Laten de leugenlippen tot zwijgen worden gebracht, die hoogmoedig en met minachting tegen de rechtvaardige spreken.

Hoe overvloedig is het goede dat u in reserve houdt voor wie u vrezen, dat u voor het oog van de mensen bereidt voor wie bij u schuilen.

U verbergt hen in de beschutting van uw nabijheid, weg van de intriges van mensen;
u bergt hen in een schuilhut, ver van het getwist van tongen.

Geprezen is de HEER, want hij heeft mij zijn wonderbaarlijke trouw betoond toen ik in een belegerde stad was.

In mijn angst had ik gezegd: “Ik ben uit uw ogen verbannen.” Maar u hoorde mijn smeekbeden toen ik u om hulp riep.

Heb de HEER lief, al zijn getrouwen! De HEER waakt over wie hem trouw zijn, maar wie uit hoogmoed handelt betaalt hij ruimschoots terug.

Wees sterk en houd je hart moedig, jullie allen die je verwachting op de HEER vestigen.

← Psalm 30Psalm 32 →