Woordanker leesuitgave←

Woordenlijst

Bijbelse woorden en vaktermen die niet voor iedereen vanzelf duidelijk zijn. Typ om te zoeken, of kies een soort. Verwante vormen (meervoud, samenstellingen) vind je onder het hoofdwoord.

A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

Geen woorden gevonden.

A
aanbiedingsgebaar Het heen en weer bewegen van een offerdeel voor de HEER, als teken dat het aan hem wordt aangeboden.Voorbeeld: Leviticus 8:27
aanschijn Oud woord voor gezicht, ook voor het oppervlak. Voor Gods aanschijn betekent in zijn aanwezigheid.Voorbeeld: Psalmen 56:13
allerheiligste De binnenste en heiligste ruimte van het heiligdom, achter het voorhangsel, waar de ark stond. Alleen de hogepriester kwam er, eenmaal per jaar.Voorbeeld: Exodus 26:33
B
ballingen Mensen die door een veroveraar uit hun land zijn weggevoerd, vooral de Judeeërs in Babel.Voorbeeld: Ezra 4:1
banier Vlag of teken waar het volk zich rondom verzamelt, zoals in de strijd.Voorbeeld: Exodus 17:15
bazuin Een metalen blaasinstrument voor signalen, bij oorlog, feesten en aankondigingen, vergelijkbaar met een trompet.Voorbeeld: 1Korintiers 15:52
belijden Openlijk uitspreken wat je gelooft of wat je fout hebt gedaan. Zonden belijden betekent ze aan God toegeven.Voorbeeld: 1 Johannes 1:9
bergvesting Een sterke stad of burcht op een berg, goed te verdedigen. Sion was zo'n bergvesting.Voorbeeld: 1 Kronieken 11:5
besnijdenis Het wegsnijden van de voorhuid bij jongens, teken van het verbond tussen God en Abraham en zijn nageslacht.Voorbeeld: Genesis 17:10
besprenkelen Met de vingers of een takje bloed of water spatten, bijvoorbeeld op het altaar of op mensen, om te reinigen of toe te wijden.Voorbeeld: 2 Koningen 16:13
beweegoffer Een deel van een offer dat de priester voor de HEER omhoog hief of heen en weer bewoog, en dat daarna aan de priesters toekwam.Voorbeeld: Exodus 29:24
bezetene Iemand die in de macht is van een boze geest.Voorbeeld: Handelingen 8:7
bezweerder Iemand die met geesten of doden contact zoekt en daarover spreekt. De wet van de HEER verbiedt dit.Voorbeeld: 1 Samuel 28:9
bijvrouw Een vrouw met een lagere rechtspositie dan de echtgenote, die toch bij een man woonde en kinderen kon krijgen.Voorbeeld: Genesis 25:6
blauwpurper Kostbare gekleurde stoffen: blauwpurper, roodpurper en karmozijn, voor de tent, de priesterkleding en koningen.Voorbeeld: Exodus 25:4
bloedschuld De schuld die iemand op zich laadt door het bloed van een ander te vergieten.Voorbeeld: Deuteronomium 19:10
bloedwreker Een naaste familielid die volgens de wet de plicht had om de moord op een verwant te wreken.Voorbeeld: Deuteronomium 19:6
borststuk Het borststuk van een offerdier. Het werd voor de HEER omhoog gehouden en viel daarna toe aan de priesters.Voorbeeld: Exodus 29:26
borsttas Een versierd borststuk van de hogepriester met twaalf edelstenen voor de stammen van Israël.Voorbeeld: Exodus 28:15
brandoffer Offer waarbij het hele dier op het altaar in rook opging, als gave aan God uit eerbied, dank of om een fout goed te maken.Voorbeeld: Leviticus 1:3
C
centurio Een Romeinse officier die over ongeveer honderd soldaten het bevel voerde.Voorbeeld: Handelingen 10:1
cherubs Hemelse wezens met vleugels die Gods troon dragen en bewaken. Beelden ervan stonden in de tempel en op de ark.Voorbeeld: Exodus 25:18
chomer Grote oude inhoudsmaat voor graan of vloeistof, waarschijnlijk ongeveer 220 liter.Voorbeeld: Ezechiel 45:11
D
dariek Perzische gouden munt uit de tijd van de Perzische koningen.Voorbeeld: 1 Kronieken 29:7
denarie Een Romeinse zilveren munt, ongeveer het dagloon van een arbeider.Voorbeeld: Lucas 7:41
dodenrijk De plaats waar de doden zich bevinden, diep onder de aarde of in het graf. Het wordt voorgesteld als een schimmig oord zonder terugkeer.Voorbeeld: Psalm 16:10
doodslager Iemand die een ander doodt. In de wet gaat het vaak om een dader die dit per ongeluk deed en bescherming zocht in een vrijstad.Voorbeeld: Deuteronomium 19:3
dorsvloer Een vlakke, harde plek waar graan wordt uitgeklopt en van het kaf gescheiden.Voorbeeld: Ruth 3:2
E
eersteling De eerste opbrengst van de oogst of van het vee, die aan God werd gegeven. Ook beeldend gebruikt voor wie als eerste komt, met anderen die volgen.Voorbeeld: 1 Korintiërs 15:20
eerstgeboorterecht Het recht van de eerstgeboren zoon op een groter deel van de erfenis en op de leiding van de familie.Voorbeeld: 1 Kronieken 5:1
eerstgeborene Het eerste kind of jong dier. Het had een bijzondere plaats en was volgens de wet voor God.Voorbeeld: Exodus 13:2
efod Een priesterlijk kledingstuk, een soort schort of schouderkleed, waaraan de borsttas werd bevestigd.Voorbeeld: Exodus 28:6
erfdeel Het deel van het land of de zegen dat je krijgt om door te geven, een blijvend bezit. Het volk Israël kreeg het land als erfdeel van God.Voorbeeld: Numeri 18:20
erfland Het land dat God aan Israël als bezit gaf en dat in de familie bleef.Voorbeeld: Deuteronomium 15:4
F
farizeeën Een groep Joodse leraren in Jezus' tijd die zich strikt aan de wet en de overleveringen wilden houden.Voorbeeld: Matteüs 23:2
G
gedachtenis Herinnering. Iets doen tot gedachtenis betekent het doen om aan iemand te blijven denken.Voorbeeld: 1 Korintiers 11:24
gedachtenisdeel Het deel van een graanoffer dat op het altaar werd verbrand, als teken dat het hele offer aan God werd gegeven.Voorbeeld: Leviticus 2:2
geheiligd Apart gezet voor God, toegewijd aan hem. Zo kan een persoon, een dag of een voorwerp heilig worden.Voorbeeld: Exodus 29:43
gelofte Een plechtige belofte aan God, bijvoorbeeld om iets te doen of te geven, die men moest nakomen.Voorbeeld: Numeri 30:3
genadegave Gave of vaardigheid die God uit goedheid aan iemand schenkt, niet als beloning.Voorbeeld: 1 Korintiers 1:7
geslachtsregister Lijst van namen die laat zien wie van wie afstamt, binnen een familie of stam.Voorbeeld: 1 Kronieken 4:33
getwijnd linnen Fijn linnen van gedraaide draden, gebruikt voor de gordijnen van de tent en de priesterkleding.Voorbeeld: Exodus 26:1
gewestvorst Bestuurder van een gewest, een deel van een koninkrijk.Voorbeeld: 1 Koningen 20:14
Gezalfde Iemand die met olie is gezalfd en zo voor een taak is aangesteld, zoals een koning of priester. 'Christus' en 'Messias' betekenen 'Gezalfde'.Voorbeeld: 1 Samuel 2:35
goddelozen Mensen die geen rekening houden met God en onrecht doen. Zij staan tegenover de rechtvaardigen.Voorbeeld: Psalmen 1:1
godheid Een god of godin die een volk aanbidt, vooral in de zin van afgod.Voorbeeld: 1 Koningen 18:24
godslastering Kwaadspreken over God of zijn naam, of hem oneer aandoen met woorden.Voorbeeld: Handelingen 6:11
godsspraak Een boodschap of uitspraak die God door een profeet laat doorgeven.Voorbeeld: Ezechiël 12:10
godsvrucht Een leven in ontzag voor God, waarbij geloof en gedrag bij elkaar passen.Voorbeeld: 1 Timoteus 2:2
graanoffer Offer van meel, olie en wierook, soms gebakken, als gave aan God. Een deel werd verbrand, de rest was voor de priesters.Voorbeeld: Leviticus 2:1
gruwel Iets wat God verafschuwt, vooral afgoderij en schandelijke handelingen die het volk van God onwaardig zijn.Voorbeeld: Deuteronomium 18:12
H
heidenen Mensen uit andere volken, die niet tot Israël behoorden en niet de HEER dienden.Voorbeeld: 1Petrus 4:3
heiliging Het apart gezet en toegewijd worden aan God, en het leven dat daarbij past.Voorbeeld: 1 Tessalonicenzen 4:4
herendienst Verplicht werk dat mensen onbetaald voor de koning of de overheid moesten doen.Voorbeeld: 1 Koningen 5:13
hoeksteen De steen op de hoek van een gebouw die de muren aan elkaar bindt en draagt. Het woord wordt ook beeldend gebruikt voor iemand die een volk of gemeenschap draagt.Voorbeeld: 1 Petrus 2:6
hoerenloon Het geld dat iemand voor hoererij ontving. De wet zegt dat het niet in het huis van de HEER hoort.Voorbeeld: Deuteronomium 23:18
hofmaarschalk De hoogste beheerder van het koninklijk paleis, die voor het hof en de huishouding zorgde.Voorbeeld: 1 Koningen 18:3
hogepriester De belangrijkste priester, die als enige op de Verzoendag het Allerheiligste binnenging om voor het volk te bemiddelen.Voorbeeld: Leviticus 21:10
honderdtallen Groepen van honderd of duizend mannen, met een eigen aanvoerder.Voorbeeld: Deuteronomium 1:15
huidvraat Een huidziekte of huidaandoening die iemand onrein maakte. In onze tekst staat het voor de ziekte die vaak als melaatsheid wordt aangeduid.Voorbeeld: Leviticus 13:2
hysop Een kleine geurige plant waarvan takjes werden gebruikt om bloed of water te sprenkelen bij reiniging.Voorbeeld: Hebreeën 9:19
I
ijkgewicht Het vaste standaardgewicht van het heiligdom, waarmee onder meer zilver werd afgewogen.Voorbeeld: Exodus 30:24
inlossing Het terugkopen van iets dat aan God toebehoort of verloren is gegaan, tegen betaling.Voorbeeld: Deuteronomium 23:21
inwijding Plechtige ingebruikname van iets of iemand voor God, zoals een tempel of de priesters.Voorbeeld: 2 Kronieken 7:5
inzettingen Voorschriften die God heeft vastgesteld en waaraan het volk zich moet houden.Voorbeeld: 1 Koningen 2:3
J
jubeljaar Het vijftigste jaar, waarin land terugkeerde naar de oorspronkelijke familie en slaven vrijkwamen.Voorbeeld: Leviticus 25:10
K
kandelaar De gouden zevenarmige lampenstandaard in de tent en de tempel, waarop olielampen brandden.Voorbeeld: Exodus 25:31
kapiteel Het bovenste deel van een zuil, versierd met bladwerk of granaatappels.Voorbeeld: 1 Koningen 7:16
korenmaat Een vat om graan mee af te meten. In Lucas gaat het om een vat waaronder je een lamp zou afdekken.Voorbeeld: Deuteronomium 25:15
kronieken Officiële geschriften waarin de geschiedenis en daden van de koningen werden bijgehouden.Voorbeeld: 1 Koningen 11:41
kwijtschelding Het wegdoen van schulden. In Israël moest dat elke zeven jaar gebeuren.Voorbeeld: Deuteronomium 15:1
L
landvoogd Bestuurder die namens een koning of keizer een gebied bestuurt, zoals Pilatus in Judea.Voorbeeld: Nehemia 5:14
legermachten Titel van God, 'HEER van de legermachten': hij heeft gezag over alle machten, in hemel en op aarde.Voorbeeld: Jesaja 6:3
lepra Een ernstige huidziekte waarbij mensen volgens de wet als onrein golden en buiten de gemeenschap moesten leven. Het woord kan ook plekken op kleding of muren aanduiden.Voorbeeld: Lucas 5:12
levensboom Boom met vruchten die leven geven, in de hof van Eden en in Gods nieuwe wereld.Voorbeeld: Openbaring 22:2
leverkwab Een stuk van de lever van een offerdier, dat bij bepaalde offers op het altaar werd verbrand.Voorbeeld: Leviticus 3:4
Levieten Leden van de stam Levi. Zij hielpen de priesters bij de dienst in de tabernakel en later in de tempel.Voorbeeld: Numeri 3:6
Loofhuttenfeest Najaarsfeest van een week waarbij het volk in hutten van takken woont. Het herinnert aan de tijd in de woestijn.Voorbeeld: 2 Kronieken 8:13
loskopen Door een prijs te betalen iemand bevrijden uit slavernij of nood. Het wordt ook gezegd van God die zijn volk bevrijdt.Voorbeeld: 2 Samuel 7:23
M
magiër Een kenner van dromen, tekens en geheime kunsten aan het hof van een koning, vooral in Egypte en Babel.Voorbeeld: Daniel 2:2
manna Het brood dat God dagelijks uit de hemel gaf aan Israël in de woestijn.Voorbeeld: Exodus 16:31
meetsnoer Een touw om afstanden of grond mee te meten. Het kan ook beeldend staan voor een oordeel of toewijzing.Voorbeeld: 2 Samuel 8:2
Mensenkind Letterlijk 'kind van een mens'. Zo spreekt God de profeet Ezechiël aan. Elders kan het gewoon 'mens' betekenen.Voorbeeld: Ezechiël 2:1
N
nalezing Wat bij de oogst is blijven liggen. In Israël moest het worden overgelaten aan de armen, zoals vreemdelingen, wezen en weduwen.Voorbeeld: Deuteronomium 24:21
nazireeër Iemand die zich voor een bepaalde tijd of levenslang aan God toewijdde, onder meer door geen wijn te drinken en het haar niet te knippen.Voorbeeld: Amos 2:11
nieuwemaan De eerste dag van de maand, bij nieuwe maan. Het was een feestdag met extra offers.Voorbeeld: 1 Samuel 20:5
O
offerhoogten Verhoogde plaatsen buiten Jeruzalem waar offers werden gebracht, vaak aan andere goden, maar soms ook aan de HEER.Voorbeeld: 1Koningen 3:2
offervlees Vlees van een geofferd dier, bijvoorbeeld van een vredeoffer voor de HEER, of vlees dat voor een afgod was geofferd.Voorbeeld: 1 Korintiërs 8:4
omer Oude inhoudsmaat voor droge waar, ongeveer twee liter. Zo veel manna hoorde ieder per dag te verzamelen.Voorbeeld: Exodus 16:16
onbesnedene Iemand die niet besneden is. Israëlieten gebruikten het woord voor volken buiten het verbond, zoals de Filistijnen, vaak met minachting.Voorbeeld: 1 Samuel 14:6
onderkleed Kledingstuk dat direct op het lichaam werd gedragen, onder het bovenkleed.Voorbeeld: Exodus 28:4
onderstel Een verrijdbaar koperen onderstel in de tempel van Salomo, waarop een wasbekken stond.Voorbeeld: 1 Koningen 7:27
onderwijzing Wat God zijn volk als richtlijn voor het leven leert, in het bijzonder de wet van Mozes. Het is meer dan alleen regels: het is leiding.Voorbeeld: Ezra 7:10
ongesteldheid De maandelijkse bloeding van een vrouw. Volgens de wet maakte die tijdelijk onrein.Voorbeeld: Leviticus 15:25
ongezuurd brood Brood zonder zuurdesem, ook ongedesemd brood genoemd. Het herinnert aan de haastige uittocht uit Egypte en hoort bij het Pesachfeest.Voorbeeld: Exodus 12:15
onrein Niet geschikt om bij God en zijn heiligdom te komen, volgens de voorschriften, bijvoorbeeld door ziekte, een lijk of bepaalde dieren. Dit is een rituele toestand, geen oordeel over iemands karakter.Voorbeeld: Leviticus 11:4
ontmoetingstent De tent in de woestijn waar God Mozes en het volk ontmoette. Het was het centrale heiligdom voordat de tempel er stond.Voorbeeld: Exodus 27:21
ontslapen Vriendelijke omschrijving voor gestorven zijn, alsof iemand slaapt.Voorbeeld: 1 Korintiers 15:20
ontucht Seksuele omgang die volgens de Bijbelse voorschriften niet is toegestaan, zoals overspel of omgang buiten het huwelijk. Het woord heeft in de Bijbel een brede betekenis.Voorbeeld: 1Korintiers 6:18
ontwijden Iets heiligs onheilig maken of zonder eerbied behandelen, bijvoorbeeld Gods naam of zijn heiligdom.Voorbeeld: Leviticus 18:21
opperschenker Hoge hoveling aan het hof die de wijn voor de koning inschenkt en zijn vertrouwen geniet.Voorbeeld: Genesis 40:2
opstanding Het weer opstaan van gestorvenen uit de dood. Het Nieuwe Testament verkondigt dat Jezus is opgestaan en spreekt over een opstanding van de doden.Voorbeeld: 1Korintiers 15:12
oudsten Oudere, gezaghebbende mannen die als leiders optreden voor een stad, een volk of een gemeente en recht spreken of besluiten nemen.Voorbeeld: 1Koningen 8:1
overlevering Wat van de ene generatie op de andere wordt doorgegeven aan leer en gewoonten.Voorbeeld: Marcus 7:3
P
perskuip Een uitgehouwen kuip waarin druiven of olijven werden getreden en geperst.Voorbeeld: Jesaja 5:2
Pesach Het feest ter herinnering aan de uittocht uit Egypte. Er werd een lam geslacht en ongezuurd brood gegeten.Voorbeeld: 1 Korintiërs 5:7
plengoffer Offer waarbij wijn of een andere vloeistof bij het altaar wordt uitgegoten als gave aan God.Voorbeeld: Numeri 15:5
pretorium Het Romeinse bestuurs- en wachtkwartier, of de keizerlijke garde die daar dienst deed.Voorbeeld: Filippenzen 1:13
profetenzonen Leden van een groep of school van profeten rond een leider zoals Elisa.Voorbeeld: 2 Koningen 2:3
profeteren Namens God spreken. Dat kan gaan over de toekomst, maar ook over wat God nu wil zeggen.Voorbeeld: 1 Koningen 22:10
purper Dure paarsrode stof of wol, geverfd met kleurstof uit zeeslakken. Het hoorde bij koningen, priesters en de tabernakel.Voorbeeld: 2 Kronieken 2:7
R
rabsake Titel van een hoge Assyrische hoveling en woordvoerder van de koning, die namens hem onderhandelt.Voorbeeld: 2 Koningen 18:17
ramshoorn Blaasinstrument gemaakt van de hoorn van een ram, gebruikt als signaal bij oorlog, feesten en plechtige gelegenheden.Voorbeeld: Jozua 6:4
rechterstoel De zetel waarop een rechter zit om recht te spreken. Beeldend gebruikt voor het oordeel waarvoor iedereen zich moet verantwoorden.Voorbeeld: 2 Korintiërs 5:10
rechtschapen Eerlijk en oprecht leven, zoals God het wil. Het gaat om innerlijke eerlijkheid en gedrag.Voorbeeld: 1 Koningen 2:32
reukofferaltaar Het kleine altaar in de tabernakel en de tempel waarop de priester dagelijks wierook liet opgaan voor de HEER.Voorbeeld: 1 Kronieken 6:49
reukwerk Een geurige rook van speciale kruiden die de priester op het reukofferaltaar liet opgaan als eerbetoon aan God.Voorbeeld: Exodus 30:7
rouwgewaad Een ruw kledingstuk of grove stof, vaak van zak- of haarstof, gedragen bij rouw en boete als teken van verdriet.Voorbeeld: 1 Koningen 21:27
S
sabbat De wekelijkse rustdag, de zevende dag, door God ingesteld. Dan werd er niet gewerkt. Ook het zevende jaar heette sabbatsjaar.Voorbeeld: Exodus 20:8
sadduceeën Een Joodse groepering met veel priesters en aanzienlijken. Zij hielden zich aan de geschreven wet en geloofden niet in de opstanding.Voorbeeld: Handelingen 5:17
Samaritaan Bewoner van Samaria. De Joden hadden weinig omgang met hen, omdat zij een eigen traditie in de eredienst volgden.Voorbeeld: Johannes 4:9
Sanhedrin De Hoge Raad van de Joden in Jeruzalem, het hoogste bestuurs- en rechtsorgaan, met priesters, oudsten en schriftgeleerden.Voorbeeld: Matteüs 26:59
satraap Een hoge bestuurder die in naam van de koning over een gewest van het Perzische of Babylonische rijk regeerde.Voorbeeld: Daniel 3:2
scharlaken Een felrode stof of kleur. Het was kostbaar en werd gebruikt voor kleding, voor de tabernakel en voor wie rijk of aanzienlijk was.Voorbeeld: Genesis 38:28
schouderstuk De twee banden over de schouders van de efod van de hogepriester, waarop stenen met de namen van de stammen zaten.Voorbeeld: Exodus 28:7
schriftgeleerden Kenners en uitleggers van de wet van Mozes en de Schriften, die het volk onderwezen.Voorbeeld: Marcus 2:16
schuldoffer Offer om schade of schuld tegenover God of een medemens goed te maken, vaak samen met een vergoeding.Voorbeeld: Leviticus 5:15
sikkel Een gebogen mes om graan mee te oogsten.Voorbeeld: Deuteronomium 16:9
sjekel Gewichtseenheid voor zilver en goud van ongeveer elf gram, ook gebruikt als geldbedrag.Voorbeeld: Genesis 23:15
soevereine HEER Weergave van Adonai JHWH, letterlijk "Heer, de HEER". Het onderstreept dat God het hoogste gezag heeft. Het komt vooral voor in profetenboeken, zoals Ezechiël.Voorbeeld: Ezechiël 12:10
sprengbekken Een schaal of bekken uit het tempelgerei, waarschijnlijk om offerbloed in op te vangen en te sprenkelen.Voorbeeld: 1 Koningen 7:40
stadhouder Zie landvoogd.Voorbeeld: 1 Koningen 22:47
stamhoofden Leiders van een van de stammen of grote families van Israël.Voorbeeld: Numeri 7:12
stenigen Iemand doodgooien met stenen. Dat was een straf voor zware overtredingen, zoals het lasteren van God.Voorbeeld: 1 Koningen 21:13
synagogen Plaatsen waar Joden op de sabbat samenkwamen om te bidden en de Schriften te lezen.Voorbeeld: Handelingen 9:2
T
tabernakel Een andere naam voor de tent van God, de verplaatsbare tent die de woonplaats van God bij zijn volk was.Voorbeeld: Exodus 25:9
tandengeknars Uitdrukking voor woede, wanhoop en spijt, zoals bij wie buiten Gods koninkrijk blijft.Voorbeeld: Lucas 13:28
tempelknechten Mannen die als hulp in de tempel dienden en de Levieten ondersteunden.Voorbeeld: Ezra 2:43
terafim Huisgoden of beeldjes van voorouders. Ze werden in huis bewaard en vaak geraadpleegd, maar de wet van de HEER keurt dat af.Voorbeeld: 1 Samuel 19:13
terebint Grote boom met een brede kroon uit het Midden-Oosten, vaak een herkenningspunt of een plaats voor een ontmoeting.Voorbeeld: 1 Koningen 13:14
tergen Iemand met opzet kwaad maken, hier gezegd van mensen die God door hun afgoderij boos maken.Voorbeeld: 1 Koningen 16:13
tienden Het tiende deel van oogst of inkomen dat men aan God gaf, ten dienste van de Levieten en priesters.Voorbeeld: Numeri 18:28
tollenaars Mensen die belasting en tol innen voor de Romeinen. Ze stonden bekend als oneerlijk en werden door veel mensen verguisd.Voorbeeld: Lucas 3:12
toonbrood Twaalf broden die elke sabbat vers op een tafel in de tabernakel of tempel lagen, als gave aan God. Alleen priesters mochten ze eten.Voorbeeld: 1 Koningen 7:48
tovenaar Iemand die met geheime of bovennatuurlijke krachten en spreuken werkt. De wet van de HEER verbiedt dit.Voorbeeld: Deuteronomium 18:10
tribuun Een hoge Romeinse officier die over een groep van enkele honderden tot duizend soldaten het bevel voerde.Voorbeeld: Handelingen 21:31
trouwbreuk Ontrouw aan God of aan zijn verbond, bijvoorbeeld door andere goden te dienen of zijn geboden te negeren.Voorbeeld: 2 Kronieken 26:16
U
uittocht De tocht van Israël uit Egypte, waarbij God zijn volk bevrijdde uit de slavernij.Voorbeeld: Exodus 16:1
uitverkorene Iemand die God zelf heeft gekozen voor een taak of om bij hem te horen.Voorbeeld: 2 Timoteus 2:10
urim en tummim Twee voorwerpen die de hogepriester bij zich droeg om Gods antwoord te vragen. Hoe ze precies werkten, is onbekend.Voorbeeld: Numeri 27:21
V
verbondsark De met goud beklede kist waarin de stenen tafels met de geboden lagen, een teken van Gods aanwezigheid bij zijn volk.Voorbeeld: Jozua 3:6
verbondstekst De stenen tafels met de geboden die in de ark lagen, het getuigenis van Gods verbond met Israël.Voorbeeld: Exodus 25:16
verheerlijken Iemand eer en grootheid toekennen, of zijn grootheid zichtbaar maken. Zo wordt God verheerlijkt.Voorbeeld: 1 Petrus 4:11
verontreinigen Onrein maken, besmetten, zodat iemand of iets niet meer geschikt is voor de dienst aan God.Voorbeeld: Leviticus 11:44
verstokt Hardnekkig weigeren te luisteren of zich om te keren.Voorbeeld: 2 Koningen 17:14
vervloeking Een uitspraak waarbij onheil over iemand of iets wordt afgeroepen, vaak als gevolg van ongehoorzaamheid aan God.Voorbeeld: Deuteronomium 29:20
Verzoendag Jaarlijkse dag van vasten en gebed in het najaar, waarop de hogepriester het heiligdom en het volk van schuld reinigde.Voorbeeld: Leviticus 23:27
verzoendeksel Het gouden deksel op de ark, waar God zijn volk ontmoette. Op de verzoendag werd er bloed op gesprenkeld om schuld te verzoenen.Voorbeeld: Leviticus 16:2
verzoening Het herstellen van de vrede tussen God en mensen, waar schuld of zonde tussen stond. In de wet gebeurde dat met een offer.Voorbeeld: 1 Johannes 2:2
vloeiing Een lichamelijke afscheiding, zoals bloed, die volgens de wet tijdelijk onrein maakte.Voorbeeld: Leviticus 15:2
voetbank Bankje om de voeten op te zetten. Het wordt gezegd van de ark als Gods rustplaats en van overwonnen vijanden.Voorbeeld: Handelingen 2:35
voorbereidingsdag De vrijdag, de dag voor de sabbat, waarop alles voor de rustdag werd klaargemaakt.Voorbeeld: Johannes 19:14
voorgeslacht De voorouders. Zich bij zijn voorgeslacht voegen betekent sterven.Voorbeeld: Deuteronomium 32:50
voorhal De overdekte ingang aan de voorkant van de tempel, vóór het heiligdom.Voorbeeld: 1Koningen 6:3
voorhangsel Het zware gordijn dat het Allerheiligste afscheidde van de rest van het heiligdom.Voorbeeld: Exodus 26:31
voorhof De open ruimte rond de tent of de tempel, waar het volk offers kon brengen. Alleen priesters mochten het heiligdom zelf binnengaan.Voorbeeld: Exodus 27:9
vredeoffer Offer waarvan een deel werd opgegeten in een maaltijd voor God, de priester en de gever. Het wijst op dank en gemeenschap.Voorbeeld: Leviticus 3:1
vrijgekocht Bevrijd door een losprijs te betalen, zoals God zijn volk uit slavernij bevrijdt.Voorbeeld: Exodus 15:13
vuurgave Offer of deel van een offer dat op het altaar voor de HEER in vuur opgaat. De rook stijgt op naar God.Voorbeeld: Leviticus 2:2
W
waarzeggerij Het voorspellen van de toekomst met middelen buiten de HEER om, bijvoorbeeld door tekens of lotsbepaling. De wet verbiedt dit.Voorbeeld: 1 Samuel 15:23
wachthof Een binnenplaats bij het paleis waar gevangenen werden bewaakt.Voorbeeld: Jeremia 32:2
wagenbevelhebber Aanvoerder van een eenheid strijdwagens in het leger van een koning.Voorbeeld: 1 Koningen 22:31
wasbekken Koperen bekken in het heiligdom, onder meer om offervlees in te wassen.Voorbeeld: 2 Kronieken 4:6
Wekenfeest Oogstfeest zeven weken na Pesach, ook feest van de eerstelingen genoemd. In het Nieuwe Testament heet het Pinksteren.Voorbeeld: Exodus 34:22
wetteloosheid Het niet willen luisteren naar Gods wet, openlijk tegen zijn gebod ingaan.Voorbeeld: 1 Johannes 3:4
wierook Een geurige hars die wordt verbrand en een zoete geur geeft, gebruikt in de eredienst en in de gebeden.Voorbeeld: Leviticus 2:1
wijding Het afzonderen van een persoon of voorwerp voor de dienst aan God, vaak met een offer en met zalving.Voorbeeld: Exodus 29:26
wijgeschenk Voorwerp, zilver of goud dat aan God is toegewijd en voor de tempel bestemd is.Voorbeeld: 1 Koningen 15:15
wolkkolom De zuil van wolk waarin de HEER bij het volk aanwezig was en die hen onderweg leidde.Voorbeeld: Exodus 33:10
Z
zalfolie Heilige olie waarmee priesters, koningen en voorwerpen werden gezalfd om hen aan God te wijden.Voorbeeld: Exodus 30:25
zalving Het uitgieten van olie over iemand om hem apart te zetten voor een taak, zoals koning of priester. Het wijst op Gods keuze en uitrusting.Voorbeeld: 1 Johannes 2:20
ziener Iemand die door God dingen te zien kreeg en zijn boodschap doorgaf, een oude naam voor profeet.Voorbeeld: 1Samuel 9:9
zondoffer Offer om een zonde of onreinheid goed te maken en de relatie met God te herstellen. De priester bracht het bloed naar het altaar.Voorbeeld: Leviticus 4:3
zuurdesem Een stukje gistend deeg dat brood doet rijzen. Het beeld staat ook voor iets kleins dat veel doordringt, vaak in negatieve zin.Voorbeeld: 1Korintiers 5:6

← Terug naar de startpagina